CFH-Advies
De werkzaamheid van atosiban bij de behandeling van dreigende vroeggeboorte (voor vervoer naar een perinatologisch centrum en/of toediening van corticosteroïden) komt overeen met die van de middelen nifedipine en indometacine. Bij dreigende vroeggeboorte gaat de voorkeur uit naar de middelen nifedipine en atosiban. Wanneer contra-indicaties aanwezig zijn voor nifedipine, zoals een cardiovasculaire voorgeschiedenis of een risico van hypotensie, wordt van atosiban gebruik gemaakt. Atosiban heeft als nadeel een intraveneuze toediening. Voordelen van atosiban zijn een gunstig bijwerkingenprofiel en grote toepasbaarheid. Atosiban is wel aanzienlijk duurder dan de andere middelen. Indien met nifedipine en atosiban niet wordt uitgekomen kan tot 30 weken draagtijd worden uitgeweken naar indometacine.
Synthetisch peptide. Competitieve antagonist voor humaan oxytocine op
de receptor. Gaat bij premature weeën de baarmoedercontracties tegen,
waardoor een rusttoestand van de baarmoeder wordt verkregen. Werking: binnen 10
minuten na toediening.
Werkingsduur: gedurende 12 uur (≤ 4 contracties per uur).
Kinetische gegevens Een steady-state-plasmaconcentratie wordt binnen 1 uur na aanvang van het infuus bereikt. Vd = circa 0,26 l/kg. Metabolisering: de belangrijkste metaboliet is 10× minder effectief dan
atosiban. Eliminatie: met de urine, vnl. als de actieve metaboliet. T1/2el = ca. 1,7 uur.
Dreigende vroeggeboorte in geval van regelmatige
baarmoedercontracties met een duur van minimaal 30 s en een frequentie ≥ 4
per half uur, ontsluiting van 1–3 cm (0–3 voor nullipara) en verstrijken van de portio
≥ 50%, een doorlopen zwangerschap tussen 24 en 33 volledige
weken en een normale hartslag van de foetus.
Zwangerschapsduur van < 24 of > 33
volledige weken. Voortijdig breken van de vruchtvliezen bij > 30 weken
zwangerschap. Abnormale hartslag van
de foetus. Uteriene hemorragie ante partum, eclampsie en ernstige
preëclampsie, waardoor onmiddellijke bevalling noodzakelijk is. Foetale dood in
utero. Verdenking op intra-uteriene infectie. Placenta praevia. Abruptio
placenta. Iedere andere conditie van moeder of foetus die voortzetting van de zwangerschap
gevaarlijk maakt.
Atosiban passeert de placenta; na een infuus van 300 microg/min
bedraagt de foetale/maternale concentratieverhouding 0,12. Teratogenese: Schadelijke effecten op het ongeboren kind zijn onbekend. Advies: Kan, voor zover bekend zonder
bezwaar, worden gebruikt binnen het indicatiegebied bij een zwangerschapsduur
tussen 24–33 volledige weken.
Overgang in de moedermelk: Ja, in kleine hoeveelheden. Advies: Borstvoeding (aan een eerder
kind) tijdens zwangerschap staken, aangezien het bij borstvoeden vrijkomende oxytocine de uteruscontractie kan doen
toenemen en het effect van de tocolyse kan tegenwerken. Overig: Geeft een remming van de afscheiding van moedermelk.
Zeer vaak (> 10%): misselijkheid. Vaak (1-10%):
hoofdpijn, duizeligheid, opvliegers, braken. Tachycardie, hypotensie. Reactie
op de injectieplaats. Hyperglykemie. Soms (0,1-1%): koorts, slapeloosheid,
pruritus, huiduitslag. Zelden (0,01-0,1%): uteriene bloedingen en uteriene atonie, allergische reactie. Bij de pasgeborene zijn in
klinisch onderzoek geen bijwerkingen waargenomen.
Waarschuwingen en voorzorgen
Toediening dient plaats te vinden door een arts met
ervaring in de behandeling van premature weeën. Voorzichtigheid is geboden
indien het vroegtijdig breken van de vliezen niet kan worden uitgesloten,
vanwege het potentiële risico van chorioamnionitis. Ervaring bij verminderde
lever- of nierfunctie ontbreekt.
De ervaring is beperkt bij meervoudige zwangerschappen, bij zwangerschappen van 24–27
weken en bij (max. 3) herhalingsbehandelingen. In
geval van vertraging van de groei in utero hangt de beslissing om toediening
van atosiban voort te zetten of te herhalen af van een evaluatie van de foetale
rijpheid. Tijdens de behandeling en bij voortdurende contracties bewaking van de uteriene contracties en van de hartslag van de foetus overwegen. Omdat
atosiban als antagonist van oxytocine de uterus kan verslappen en het post partum bloedverlies kan versterken, dient na de bevalling het bloedverlies te worden gecontroleerd.
Het concentraat voor infusievloeistof
verdunnen in een isotone zoutoplossing, ringeroplossing
of een 5% isotone glucoseoplossing tot een concentratie van 0,75 mg/ml.
Zo spoedig mogelijk na de diagnose van premature weeën starten met
een i.v. bolusinjectie van 6,75 mg in 1 min, onmiddellijk gevolgd door een
oplaadinfuus van 18 mg (= 24 ml)/uur (= 300 microg/min) gedurende 3 uur en een vervolginfuus van 6
mg (= 100 microg /min = 8 ml)/uur) over maximaal 45 uur. De totale behandelduur is maximaal 48 uur; de totale dosering ≤ 330,75 mg atosiban. Indien de
uteruscontracties tijdens toediening blijven voortduren, een alternatieve
therapie overwegen. Bij een eventuele herhaling hetzelfde doseringsadvies volgen.
|