CFH-Advies
Bij de behandeling van een depressieve episode geschiedt de keuze van een antidepressivum op basis van de ernst van de aandoening, comorbiditeit, bijwerkingen, de ervaring en de prijs. De werkzaamheid bij milde tot matige depressie is van alle antidepressiva gelijk. Bij ernstige depressie gaat de voorkeur uit naar de TCA's.
Specifieke serotonineheropnameremmer (SSRI). Het remt selectief de heropname van serotonine in het neuron. Een relatie tussen de plasmaconcentratie en de werking of bijwerkingen is niet aangetoond.
Kinetische gegevens Resorptie: snel. F = ca. 80% (tablet), ca. 100% (druppelvloeistof). Tmax = 3 uur (tablet), 2 uur (druppelvloeistof). Vd = 12–17 l/kg. Gemiddelde plasmaconcentratie: 300 mmol/l (40 mg/dag). Metabolisering: tot de minder actieve SSRI's demethylcitalopram (30–50%), didemethylcitalopram (5–10%), citalopram-N-oxide en het gedesamineerd propionzuurderivaat. De biotransformatie tot demethylcitalopram vindt plaats . via CYP2C19 (38%), CYP3A4 (31%) en CYP2D6 (31%) . Eliminatie: 85% via de lever, 15% via de nier, 12–23% onveranderd met de urine. T1/2el = ca. 1½ dag, bij ouderen verlengd (1,5–3,75 dag), bij leverfunctiestoornis 3 dagen.
Depressieve episode, vooral die met vitale kenmerken.
Verlengd QT-interval.
Teratogenese: Zowel bij de mens als bij dieren, geen aanwijzingen voor schadelijkheid. Farmacologisch effect: Bij gebruik van SSRI's vooral laat in de zwangerschap is het risico van persisterende pulmonale hypertensie bij de neonaat toegenomen. Na gebruik van SSRI's in de laatste zwangerschapsfasen en direct voor de partus zijn bij de pasgeborenen reacties gemeld, die kunnen wijzen op serotonerge effecten en ontwenningsverschijnselen. Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken. Bij gebruik in het derde trimester de pasgeborene controleren op ontwenningsverschijnselen.
Overgang in de moedermelk: Ja; citalopram en zijn metabolieten in geringe hoeveelheden. Advies: Gebruik ontraden.
Zeer vaak (> 10%): misselijkheid, droge mond, slaperigheid, slapeloosheid, hyperhidrose, hoofdpijn. Vaak (1-10%): gewichtsafname, anorexie, agitatie, nervositeit, angst, abnormale dromen, concentratiestoornissen, tremor, paresthesieën, duizeligheid, aandachtsstoornis, tinnitus, geeuwen, rinitis, sinusitis, maag-darmklachten, pruritus, myalgie, artralgie, urineretentie, libidoverlies, impotentie, ejaculatiestoornis, vermoeidheid, asthenie. Soms (0,1-1%): gewichtstoename, verhoogde eetlust, agressie, hallucinaties, manie, syncope, mydriasis, bradycardie, tachycardie, urticaria, alopecia, rash, purpura, menorragie, oedeem. Zelden (0,01-0,1%): hyponatriëmie, grand-mal-aanvallen, dyskinesie, dysgeusie, bloedingen, hepatitis, koorts. Bij staken kunnen onthoudingsverschijnselen optreden. Verder is gemeld: trombocytopenie, overgevoeligheid, anafylactische reactie, SIADH (vnl. bij oudere vrouwen), hypokaliëmie, paniekaanval, tandenknarsen, rusteloosheid, suïcidale gedachten en gedrag (tijdens behandeling en vlak na stoppen), convulsie, serotoninesyndroom, extrapiramidale aandoening, acathisie (m.n. in de eerste weken van de behandeling), bewegingsstoornis, afgenomen gezichtsvermogen, verlengd QT-interval, orthostatische hypotensie, neusbloeding, gastro-intestinale bloeding, abnormale leverfunctietest, ecchymosis, angio-oedeem, metrorragie, priapisme, galactorroe. Bij gebruik van SSRI's en TCA's neemt, vooral boven de leeftijd van 50 jaar, de kans op botfracturen toe.
Gelijktijdig gebruik met met middelen die het QT-interval verlengen, zoals pimozide is gecontra-indiceerd. Voorzichtigheid is geboden met middelen die hypokaliëmie/hypomagnesiëmie induceren. Gelijktijdig gebruik – en gebruik binnen twee weken na behandeling – met MAO-remmers (incl. selegiline > 10 mg/dag, moclobemide en linezolid) moet worden vermeden om het risico van het 'serotoninesyndroom' met ernstige verschijnselen als agitatie, hyperthermie, tremor, convulsies en delirium te vermijden. Niet binnen zeven dagen na staken van citalopram starten met een MAO-remmer. Voorzichtigheid is geboden bij gelijktijdig gebruik van serotonerge geneesmiddelen zoals tramadol, sumatriptan en andere triptanen, omdat de serotonerge werking mogelijk wordt versterkt door SSRI's. Gelijktijdig gebruik van SSRI's met lithium of tryptofaan kan leiden tot een hogere incidentie van bijwerkingen. Bij gebruik van orale anticoagulantia en NSAID's dient men rekening te houden met een mogelijke verlengde bloedingstijd door SSRI's. Gelijktijdig gebruik van preparaten die Hypericum perforatum (sint-janskruid) bevatten vermeerdert de kans op bijwerkingen. Citalopram is een zwakke remmer van CYP2D6; voorzichtigheid is geboden met middelen die door dit enzym worden omgezet en een smalle therapeutische breedte hebben zoals flecaïnide, propafenon, metoprolol, clomipramine, nortriptyline, risperidon en haloperidol. Voorzichtigheid is geboden met CYP2C19-remmers als cimetidine en omeprazol; verlaging van de dosering van citalopram kan noodzakelijk zijn.
Waarschuwingen en voorzorgen
Het gebruik kan leiden tot verminderd reactie- en concentratievermogen. Veel dagelijkse bezigheden (bv. autorijden) kunnen daarvan hinder ondervinden. Zelden is bij SSRI's een serotoninesyndroom gemeld; bij een combinatie van symptomen als agitatie, tremor, myoklonie en hyperthermie dient men hierop verdacht te zijn. Voorzichtigheid is geboden bij een groter risico op het ontwikkelen van 'torsade de pointes', zoals bij congestief hartfalen, recent myocardinfarct, bradyaritmieën, of risicofactoren voor hypokaliëmie of hypomagnesiëmie. Bij het optreden van een abnormaal hartritme onmiddellijk een arts raadplegen. Bij paniekstoornis kunnen in het begin van de behandeling de angstgevoelens verergeren; bij een lage startdosering vermindert de kans op dit anxiogene effect. Voorzichtigheid is geboden bij een voorgeschiedenis van abnormale bloedingen, bij epilepsie, en gelijktijdige ect. Indien insulten optreden of de frequentie van insulten toeneemt, SSRI-gebruik staken. Bij diabetes mellitus kan een SSRI de bloedsuikerspiegel doen verhogen. In verband met het optreden van onthoudingsverschijnselen een behandeling niet plotseling staken, maar de dosis uitsluipen gedurende 1–2 weken. Een onderliggende manie kan manifest worden of verergeren. Bij suïcidaal gedrag of suïcidale gedachten in de anamnese, evenals bij patiënten jonger dan 25 jaar is goede vervolging aangewezen vanwege toegenomen risico op suïcidepogingen en suïcidale gedachten. Ter voorkoming van suïcidepogingen is nauwkeurige observatie noodzakelijk, met name in de eerste weken van de therapie en na dosisaanpassingen. Over de behandeling bij ernstig gestoorde nierfunctie (glomerulaire filtratie < 20 ml/min) ontbreekt voldoende informatie. Niet gebruiken bij kinderen en jongeren < 18 jaar vanwege een toegenomen risico van suïcidaal gedrag en vijandigheid, terwijl de werkzaamheid niet voldoende is vastgesteld en er onvoldoende gegevens zijn over het effect op groei en op de seksuele, cognitieve en emotionele ontwikkeling.
Symptomen: coma, stupor, insulten, sinustachycardie, transpireren, braken, cyanose, hyperventilatie, QT-verlenging. Zes fatale gevallen zijn bekend, meestal in combinatie met andere middelen.
Volwassenen: Bij de keuze van de dosering dient men rekening te houden met een circa 25% hogere biologische beschikbaarheid van de druppelvloeistof vergeleken met de tablet. Begindosering: 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg)) 1×/dag; effectieve dosis 40 mg (of 16 druppels (= 32 mg)) 1×/dag, in individuele gevallen kan 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg)) per dag voldoende zijn; max. 40 mg (of 16 druppels (= 32 mg)) per dag. De behandeling voortzetten totdat de patiënt 4–6 maanden volledig symptoomvrij is. Ouderen: aanbevolen dosering 10–20 mg (of 4–8 druppels (= 8–16 mg)) per dag, afhankelijk van de individuele respons max. 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg)) per dag. Bij gestoorde leverfunctie: begindosering 10 mg (of 4 druppels (= 8 mg)) 1×/dag, max. 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg)) per dag. Bij trage CYP2C19-metaboliseerders: begindosering 10 mg (of 4 druppels (= 8 mg)) 1×/dag gedurende de eerste 2 behandelweken, afhankelijk van de respons verhogen tot. max. 20 mg (of 8 druppels (= 16 mg)) per dag. Eenmaal per dag doseren, mag in de ochtend of de avond en zowel met als zonder voedsel. De druppelvloeistof niet mengen met melk of thee.
|