CFH-Advies
De belangrijkste toepassing van diazepam is als anxiolyticum. Voor de algemene praktijk zijn diazepam, lorazepam en oxazepam (de laatste twee hebben geen actieve metabolieten) als anxiolyticum – gezien de brede ervaring ermee en de prijs – een goede eerste keus. Als adjuvans kan ter sedatie bij alcoholonthoudingsverschijnselen een benzodiazepine worden toegevoegd. Bij de behandeling van spierspasmen gaat de voorkeur uit naar baclofen, dat minder bijwerkingen heeft. De plaats van diazepam is beperkt tot therapieresistente spierspasmen bij niet-ambulante patiënten met neurologische aandoeningen zoals MS, CVA, ruggenmergletsel of cerebrale parese. Bij lage rugpijn is er geen plaats voor diazepam.
Benzodiazepine, toegepast als hypnoticum, anxiolyticum, spierrelaxans en anticonvulsivum. Klysma's zijn geïndiceerd, indien een acute werking is vereist en de i.v. toediening ongewenst of onmogelijk is.
Kinetische gegevens Tmax = tablet ½–1½ uur. Stabiele plasmaspiegel na 7–14 dagen. Plasma-eiwitbinding: 97–99% (diazepam). Metabolisering: in de lever tot actief demethyldiazepam en verder tot oxazepam. Eliminatie: als oxazepam. T1/2el = 20–48 uur, 42–100 uur (demethyldiazepam).
Pathologische angst en spanning, die het normale functioneren verstoort of waaronder ernstig geleden wordt. Kortdurende behandeling van ernstige slaapstoornissen, die het normale functioneren verstoren of waaronder ernstig geleden wordt. Adjuvans bij epilepsie. Status epilepticus. Spierspasmen. Koortsconvulsies bij kinderen. Acute onthoudingsverschijnselen na staken van alcoholgebruik. Tetanus. Obstetrie: pre-eclampsie en eclampsie. Anesthesie: premedicatie, sedatie voor belastende therapeutische ingrepen en onderzoeken.
Myasthenia gravis. Overgevoeligheid voor benzodiazepinen. Ernstige respiratoire insufficiëntie. Slaap-apneusyndroom. Ernstige leverinsufficiëntie.
Bij gebruik van diazepam tijdens het eerste trimester van de zwangerschap bij de mens is melding gemaakt van congenitale afwijkingen. Op grond van de farmacologische werkzaamheid kunnen hypothermie, hypotonie, matige ademhalingsdepressie en voedingsproblemen bij pasgeborenen optreden, vooral na langdurig gebruik tijdens het laatste trimester. Bovendien kan bij de pasgeborene dan afhankelijkheid zijn opgetreden en bestaat het risico van onttrekkingsverschijnselen in de postnatale periode. Toediening tijdens zwangerschap kan karakteristieke veranderingen in het foetale hartritme (verlies van de 'Short Term Irregularity') veroorzaken. Een nadelige invloed op de foetus is daardoor niet te verwachten; bij de interpretatie van de foetale hartritmeregistratie dient men hiermee echter rekening te houden, omdat dan de 'Short Term Irregularity' als criterium ter beoordeling van het foetale welzijn wegvalt. Omdat benzylalcohol de placenta kan passeren, moet rekening worden gehouden met de mogelijke toxiciteit ervan voor prematuren na toediening vlak voor of tijdens een bevalling of sectio caesarea. Indien parenterale toediening nodig is, kan Diazemuls worden overwogen, dat geen benzylalcohol bevat.
Benzodiazepinen gaan over in de moedermelk. Tijdens gebruik geen borstvoeding geven.
Meest frequent: slaperigheid overdag. Daarnaast: spierzwakte, duizeligheid, anterograde amnesie, maag-darmstoornissen, opwekking van de eetlust en gewichtstoename, verminderde libido, huidreacties. Incidenteel verhoogde speekselafscheiding, onduidelijk spreken, hypotensie en incontinentie. Manifest worden van een onopgemerkte depressie. Vooral bij kinderen en ouderen kunnen zich paradoxale reacties met acute opwinding, verwarring en verandering van de psychische toestand voordoen. Bij gebruik van benzodiazepinen kan afhankelijkheid optreden. Na injectie: incidenteel urineretentie, droge mond, pijnlijkheid en tromboflebitis op de injectieplaats alsmede ademhalingsdepressie; zeer zelden verhoogde transaminase- en alkalische fosfataseconcentraties. In het begin van de behandeling neemt het risico toe op verwondingen door vallen.
Alcohol en andere centraal dempende stoffen versterken het centrale effect van benzodiazepinen. De euforie en daardoor de psychische afhankelijkheid van opioïden kan worden versterkt. Bij gelijktijdig gebruik van disulfiram en stoffen met een remmende invloed op leverenzymen (m.n. CYP3A4) zoals cimetidine, ketoconazol, itraconazol, claritromycine, ciprofloxacine, isoniazide, fluvoxamine, fluoxetine en omeprazol dient men rekening te houden met een verlengde en versterkte sedatie. Rifampicine, fenytoïne en metoprolol kunnen door enzyminductie (CYP3A4) de werking van diazepam verminderen. Bij gelijktijdig gebruik van lithium dient men verdacht te zijn op hypothermie. Er zijn aanwijzingen dat de werking van levodopa kan verminderen.
Waarschuwingen en voorzorgen
Het gebruik kan leiden tot verminderd reactie- en concentratievermogen. Vele dagelijkse bezigheden (bv. autorijden) kunnen daarvan hinder ondervinden. Indien minder dan 7–8 uur beschikbaar is om te slapen, is er meer kans op anterograde amnesie gedurende enige tijd. Ouderen zijn gevoeliger voor de sedatieve effecten van benzodiazepinen, bovendien is bij hen het gevaar van cumulatie groter. Men dient bij ouderen en bij mensen met ernstige lever- en/of nierfunctiestoornissen lager dan gewoonlijk te doseren. Hetzelfde geldt bij chronische respiratoire insufficiëntie met hypercapnie wegens de kans op ademhalingsdepressie, vooral 's nachts. Het risico van afhankelijkheid neemt toe bij hogere doseringen, een langere gebruiksduur en bij alcohol- en/of drugmisbruik in de anamnese. In verband met de risico's van afhankelijkheid, tolerantie en centrale bijwerkingen dient het gebruik als anxiolyticum te worden beperkt tot ten hoogste enkele maanden, als slaapmiddel tot 1–2 weken, max. 4 weken. Om mogelijke onthoudings- en/of rebound-verschijnselen te voorkomen dient men bij staken van de behandeling en bij overschakeling van een lang op een kortwerkend benzodiazepine het oorspronkelijke middel uit te sluipen. Benzodiazepinen niet toepassen bij kinderen. Terughoudendheid is geboden bij alcohol- en/of drugmisbruik in de anamnese.
Algemeen: I.v. injectie dient vanwege het risico van apneu langzaam (0,5–1 ml/min) gebeuren.
Anxiolyse: Oraal: 2–5 mg 3×/dag, zo nodig tot 10 mg 4×/dag. I.m./i.v.: bij acute toestanden 0,1–0,2 mg/kg, elke 8 uur herhalen totdat de acute symptomen afnemen. Rectaal: 5–10 mg 2–3×/dag; max. 60 mg per dag. Ouderen en mensen met gestoorde lever- en/of nierfunctie: Oraal: beginnen met 2 mg 1–2×/dag.
Slaapstoornissen: Oraal: 2,5–20 mg 's avonds. Ouderen en mensen met gestoorde lever- en/of nierfunctie: 2,5–5 mg.
Bij adjuvans bij epilepsie: Volwassenen: Oraal: 2–10 mg 2–4×/dag.
Bij Coupering epilepsie-aanval > 5 min, status epilepticus: rectaal: de NVN-richtlijn adviseert in thuissituatie: volwassenen bij voorkeur 10 mg per keer, bij onvoldoende werking 20 mg; kinderen > 3 jaar 10 mg, kinderen 1–3 jaar 5 mg, kinderen tot 1 jaar 0,5 mg/kg; zonodig na 10 min herhalen. Volwassenen: I.v.: 0,15–0,25 mg/kg, indien nodig na 10–15 min herhalen of als druppelinfuus (max. 30 mg). Kinderen: I.v.: 0,1–1 mg/kg.
Spierspasmen: Volwassenen: Oraal 2–10 mg 3–4×/dag. I.m./i.v.: 2–20 mg. Rectaal: 10–20 mg 2–3×/dag. Kinderen: Oraal 0,12–0,8 mg/kg lichaamsgewicht per dag in 4 doses. I.m/i.v. 0,04–0,2 mg/kg, max. 0,6 mg/kg per 8 uur.
Koortsconvulsie: Rectaal als rectiole: 0,25–0,5 mg/kg. Volwassenen: 20 mg per keer; zonodig na 10 min nog 10 mg; bij ouderen dosering halveren. Kinderen: 10–15 kg: 5 mg (tube tot halverwege inbrengen!); > 15 kg: 10 mg; zonodig na 10 min dosis herhalen. Vervolgens kan de dosering iedere 12 uur worden herhaald. I.v.: 0,2–0,5 mg/kg.
Alcoholabstinentieverschijnselen: Oraal: 10 mg 3–4×/dag gedurende de eerste 24 uur, daarna verminderen tot 5 mg 3–4×/dag zolang het nodig is. I.v.: bij acute toestanden 0,1–0,2 mg/kg, elke 8 uur herhalen totdat de acute symptomen afnemen. Rectaal: 20 mg 3×/dag gedurende de eerste 24 uur; daarna 10 mg 3×/dag zolang het nodig is.
Tetanus: Rectaal als rectiole: 0,25–0,5 mg/kg. Volwassenen: 20 mg per keer; zonodig na 10 min nog 10 mg; bij ouderen dosering halveren. Kinderen: 10–15 kg: 5 mg (tube tot halverwege inbrengen!); > 15 kg: 10 mg; zonodig na 10 min dosis herhalen. Vervolgens kan de dosering iedere 12 uur worden herhaald. I.v.: 0,1–0,3 mg/kg i.v. iedere 1–4 uur of als continu infuus of oraal per sonde; max. 4 mg/kg/dag.
(Pre-)eclampsie: initieel 10–20 mg i.v.; verdere toediening naar behoefte i.v. of per continu infuus (tot 100 mg per 24 uur).
Postpartum: 10–20 mg i.v
Anesthesie premedicatie: Rectaal als rectiole: 0,25–0,5 mg/kg. Volwassenen: 20 mg per keer; zonodig na 10 min nog 10 mg; bij ouderen dosering halveren. I.m./i.v.: 10–20 mg. Kinderen: Rectaal als rectiole: 10–15 kg: 5 mg (tube tot halverwege inbrengen!); > 15 kg: 10 mg; zonodig na 10 min dosis herhalen. I.m/i.v.: 0,1–0,2 mg/kg.
|