afdrukken
Novoseven [Novo Nordisk Farma bv]
Poeder voor injectie 1 mg; met solvens.
Poeder voor injectie 2 mg; met solvens.
Poeder voor injectie 5 mg; met solvens.
Poeder voor injectie 8 mg.
Bevat zeer geringe hoeveelheden muizen-, runder- en hamstereiwitten.
CFH-Advies
Geactiveerd eptacog α dient mede op grond van de hoge kosten alleen protocollair te worden toegepast op voorschrift van een arts verbonden aan een hemofiliebehandelcentrum.

Eigenschappen
Geactiveerd recombinant stollingsfactor VIIa (= eptacog-α), die qua structuur overeenkomt met uit humaan plasma bereid geactiveerde factor VII (fVIIa). Het activeert factor X, dat daarna de conversie van protrombine in trombine start. Hierdoor wordt een hemostatische prop gevormd door omzetting van fibrinogeen in fibrine. Tevens activeert factor VIIa de omzetting van factor IX in factor IXa. De werking van factor VIIa neemt sterk toe na vorming van een complex met weefselfactor en fosfolipiden, die vrijkomen na beschadiging van de vaatwand. Daardoor zal factor VIIa uitsluitend lokaal hemostase veroorzaken.

Kinetische gegevens
In episoden zonder bloeding was de gemiddelde verblijftijd in het lichaam ca. 3½ uur en de halfwaardetijd ca. 3 uur; in episoden met bloeding bedroeg de gemiddelde verblijftijd ca. 3 uur en de halfwaardetijd ca. 2 uur.

Indicaties
Preventie en behandeling van bloedingen bij operaties of invasieve ingrepen bij: overgeërfde hemofilie met remstoffen tegen stollingsfactor VIII of IX (> 5 BU) of bij een verwachte hoge anamnestische respons op factor VIII of factor IX; verworven hemofilie; overgeërfde factor VII-deficiëntie; ziekte van Glanzmann (trombasthenie) met antilichamen tegen GP IIb-IIIa/ of HLA en met ongevoeligheid of overgevoeligheid voor bloedplaatjestransfusie.

Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor muis-, hamster- of rundereiwit.

Zwangerschap/Lactatie
Teratogenese: Bij de mens, beperkte gegevens (geen nadelige effecten). Bij dieren, geen aanwijzingen voor schadelijkheid . Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken
Overgang in de moedermelk:Onbekend.Advies: Afwegen.

Bijwerkingen
Soms (0,1-1%): veneuze trombo-embolische complicaties (zoals tromboflebitis, diep-veneuze trombose, longembolie, portale of renale venetrombose, intestinale ischemie). Huiduitslag (zoals erythemateuze uitslag, allergische dermatitis), urticaria, jeuk. Koorts. Zelden (0,01-0,1%): gedissemineerde intravasculaire stolling , coagulopathie. Arteriële trombotische complicaties (zoals cerebrale ischemie, myocardinfarct, perifere ischemie), angina pectoris. Hoofdpijn, nausea. Reactie op de injectieplaats. verhoogde waarden van alanine aminotransferase, alkaline fosfatase, lactaat dehydrogenase en protrombine. Verder zijn gemeld: anafylactische reacties, angio-oedeem, opvliegers.
Bij verworven hemofilie komen vaker voor: arteriële en veneuze trombo-embolische complicaties, angina pectoris, nausea, koorts, erythemateuze uitslag en verhoogde waarden van fibrine-afbraakproducten.
Bij factor VII–deficiëntie is er maar één bijwerking gerapporteerd: Vaak (1-10%): antilichaamvorming tegen factor VII en factor VIIa.

Interacties
Gelijktijdig gebruik met protrombinecomplexconcentraten, geactiveerd of niet, moet worden vermeden.

Waarschuwingen en voorzorgen
Bij hevige bloedingen uitsluitend toedienen in centra die gespecialiseerd zijn in de behandeling van patiënten met remmers van stollingsfactor VIII of IX òf in nauwe samenwerking met een arts, gespecialiseerd in de hemofiliebehandeling. Bij lichte tot matige bloedingen kan het product thuis worden toegediend in nauwe samenwerking met een hemofiliecentrum; indien bloeding niet onder controle blijft, is behandeling in het ziekenhuis noodzakelijk. Antifibrinolytische middelen kunnen bloedverlies tijdens operatief ingrijpen bij hemofiliepatiënten beperken, met name in lichaamsdelen met veel fibrinolytische activiteit zoals de mondholte; ervaring met gelijktijdige toediening van antifibrinolytische therapie en eptacog α is echter beperkt. Indien weefselfactor in circulerend bloed kan worden verwacht, zoals bij gevorderde atherosclerose, crush-syndroom, sepsis of DIS en bij operaties met ernstige weefselbeschadiging is het risico van trombose of gedissemineerde intravasculaire stolling (DIS) groter. Vanwege het risico op trombo-embolische complicaties is alertheid geboden bij (een voorgeschiedenis van) coronaire hartziekten, leverziekten, een postoperatieve periode, een risico op trombo-embolische verschijnselen of gedissemineerde intravasculaire stollingen; tevens is alertheid geboden bij neonaten. Bij factor VII-deficiëntie de protrombinetijd en factor VII-stollingsactiviteit vóór en na toediening controleren. Bij uitblijven van een effect een analyse voor eventuele antilichamen uitvoeren.

Dosering
Na oplossing met het benodigde volume oplosmiddel bevat elke flacon 0,6 mg/ml (30 KIE/ml) eptacog α. (1 Kallikreïne Inactivator Eenheid (KIE) komt overeen met 1000 IE.)
Gereconstitueerde oplossing toedienen als intraveneuze bolusinjectie gedurende 2–5 minuten.
Hevige bloedingen bij hemofilie: Afhankelijk van de soort en ernst van de bloeding: begindosering 90 microg (4,5 KIE) per kg lichaamsgewicht, evt. toe te dienen tijdens het vervoer naar het ziekenhuis. Deze toediening iedere 2 uur te herhalen totdat klinische vooruitgang wordt vastgesteld. Indien continue therapie noodzakelijk is, kan het doseringsinterval worden vergroot tot 3 uur gedurende 1–2 dagen. Hierna het doseringsinterval vergroten tot elke 4, 6, 8 of 12 uur. Een hevige bloeding kan gedurende 2–3 weken worden behandeld, eventueel langer.
Lichte tot matige bloedingen bij hemofilie: (zoals gewrichts-, spier- en mucocutane bloedingen): in de thuisbehandeling, direct 90 microg (4,5 KIE) per kg. Om hemostase te bereiken 2–3 doses met 3 uur tussentijd geven en eventueel 1 additionele dosis om hemostase te handhaven. Doseringsalternatief: één enkele dosis van 270 microg/kg (niet bij oudere patiënten). Duur van de thuisbehandeling: max. 24 uur.
Operaties of invasieve ingrepen bij hemofilie: Direct voor de ingreep 90 microg (4,5 KIE) per kg. Deze dosering na 2 uur herhalen en daarna met tussenpozen van 2–3 uur gedurende de eerste 24–48 uur, afhankelijk van de verrichte operatie en de klinische toestand. Bij grote operaties de dosis iedere 2–4 uur herhalen gedurende 6–7 dagen. Daarna het doseringsinterval verlengen tot 6–8 uur gedurende de volgende 2 weken. .
Verworven hemofilie: Zo snel mogelijk na het begin van een bloeding 90 microg /kg lichaamsgewicht toedienen. Indien nodig kunnen vervolginjecties worden toegediend. De duur van de behandeling en het interval tussen de injecties zijn afhankelijk van de ernst van de bloeding, van de invasieve ingrepen of van de operatie die wordt uitgevoerd. Het initiële dosisinterval dient 2–3 uur te zijn. Zodra hemostase is bereikt, kan het dosisinterval verlengd worden tot achtereenvolgens elke 4, 6, 8 of 12 uur.
Factor VII deficiëntie: 15–30 microg/kg lichaamsgewicht, elke 4–6 uur totdat hemostase is bereikt. Vervolgdoses individueel aanpassen.
Ziekte van Glanzmann: 90 microg (80–120 microg) per kg lichaamsgewicht, elke 2 uur (1,5–2,5 uur). Om effectieve hemostase te bereiken ten minste 3 doses toedienen.
De huidige klinische ervaring rechtvaardigt geen verschil tussen de doses bij kinderen en volwassen, hoewel kinderen een snellere klaring hebben dan volwassenen. Hierdoor kunnen bij pediatrische patiënten hogere doses eptacog α nodig zijn om een gelijke plasmaconcentratie te bereiken.

zie ook
groepsoverzicht
achtergrondinformatie
CFH-rapport
meldformulier bijwerkingen
prijs op Medicijnkosten
GIP-databank
© CVZ 2012 | naar boven | afdrukken |