CFH-Advies
Vaginale en orofaryngeale candidiasis zijn oppervlakkige infecties
waarbij in eerste instantie kortdurende lokale therapie aangewezen is; hierbij
gaat de voorkeur uit naar een imidazolpreparaat in verband met het
gebruikersgemak. Systemische behandeling komt in aanmerking bij onvoldoende
resultaat of bij frequent recidiveren; fluconazol of itraconazol hebben dan de
voorkeur. Bij systemische Candida-infecties heeft fluconazol de voorkeur. Bij
de overige indicaties dient fluconazol te worden toegepast door of op
aanwijzing van een specialist met ervaring op het betreffende gebied.
Triazoolderivaat met antimycotische werking tegen o.a.
dermatofyten, schimmels zoals Cryptococcus neoformans en Candida-species, in het
bijzonder Candida albicans. Beschadigt de plasmamembraan van de schimmel,
waardoor de membraanpermeabiliteit verandert en essentiële celbestanddelen
verloren gaan.
Kinetische gegevens Resorptie: goed. F = oraal > 90%. Tmax = oraal ½–1½ uur. Vd = ca. 0,9 l/kg. Fluconazol dringt goed door in weefselvloeistoffen zoals speeksel en sputum.
Alvorens door te slikken geeft een mondspoeling van 2 min met de orale
suspensie ca. 180× hogere speekselconcentraties dan gebruik van de capsule. Na 4
uur zijn de speekselconcentraties weer vergelijkbaar. Hogere concentraties dan
in het serum worden bereikt in de huid in het stratum corneum, (epi)dermis en
exocrien zweet. Penetratie in liquor: 80% van serum. Eliminatie: met de urine,
ca. 80% onveranderd. T1/2el = ca. 30 uur, 15–20 uur bij
kinderen, ca. 70 uur aflopend naar ca. 50 uur bij
vroeggeborenen.
Vaginale Candidiasis, zowel acuut als recidiverend.
Orofaryngeale candidiasis, ook bij immuungecompromitteerde patiënten.
Systemische, diepe candidiasis. Profylaxe van orofaryngeale candidiasis bij
aids en bij neutropenie door cytotoxische chemotherapie of ten gevolge van
bestraling. Profylaxe van Candida-infecties bij neutropenie ten gevolge van
beenmergtransplantaties. Cryptococcus-meningitis; ook als onderhoudsbehandeling
bij aids ter voorkoming van een recidief.
Overgevoeligheid voor
azoolverbindingen.
Advies: Gebruik ontraden, met uitzondering bij patiënten met ernstige of potentieel levensbedreigende infecties.
Overgang in de moedermelk: Ja. Advies: Gebruik ontraden.
Vaak (1-10%): hoofdpijn, buikpijn, diarree, misselijkheid, braken, huiduitslag. Soms (0,1-1%): flatulentie, dyspepsie, duizeligheid, convulsies, smaakverandering, leukopenie, neutropenie, trombocytopenie, geelzucht, pruritus, urticaria, verhoogde alkalische fosfatase, verhoogd bilirubine, verhoogd ASAT/ALAT, veranderingen in nierfunctietesten, Zelden (0,01-0,1%): Anafylactische reacties, hypercholesterolemie, hypertriglyceridemie, hypokaliëmie, hepatotoxiciteit met in zeldzame gevallen fatale afloop, leverfalen, hepatitis, hepatocellulaire necrose, alopecia, angio-oedeem, gezichtsoedeem, exfoliatieve huidafwijkingen zoals stevens-johnsonsyndroom en toxische epidermale
necrolyse. Agranulocytose. Zeer zelden (< 0,01%): QT-verlenging, torsade de pointes. Leverfunctiestoornissen komen bij kinderen vaker voor. Overgevoeligheid en anemie komen met name bij kinderen voor.
Fluconazol kan de protrombinetijd na
toediening van orale anticoagulantia verlengen. Verlengt tevens de
halfwaardetijd van gelijktijdig toegediende sulfonylureumderivaten, zodat
hypoglykemie kan optreden. Kan de plasmaspiegels van fenytoïne en zidovudine
verhogen; extra controle wordt aangeraden. Bij combinatie met rifampicine dient
eventueel de dosis fluconazol te worden verhoogd. Fluconazol verhoogt de
plasmaspiegel van rifabutine, waardoor er meer kans op uveïtis is. Ook
kan fluconazol de plasmaspiegel van tacrolimus verhogen met als gevolg stijging
van de nefrotoxiciteit. Bij combinatie met ciclosporine neemt de concentratie
van ciclosporine toe. Fluconazol kan bij gelijktijdig gebruik de concentraties
van benzodiazepinen verhogen met als gevolg psychomotore effecten. Fluconazol kan de plasmaklaring van theofylline verlagen, hierdoor is er meer kans op intoxicatie bij gebruik van hoge doses theofylline.
Waarschuwingen en voorzorgen
Zeer zelden is bij patiënten met een ernstige
onderliggende ziekte ernstige levertoxiciteit opgetreden, waaronder gevallen
met dodelijke afloop. Er is geen relatie met de totale dagelijkse dosering, de
behandelduur, het geslacht of de leeftijd. Bij significante stijging van
leverenzymwaarden de toediening staken. Een klein aantal patiënten heeft tijdens
behandeling met fluconazol een exfoliatieve huidreactie ontwikkeld.
Aids-patiënten hebben een sterkere neiging tot het ontwikkelen van dergelijke
ernstige huidreacties. Bij ontstaan van bulleuze laesies of erythema multiforme
dient de fluconazoltoediening dan ook te worden gestaakt. Vrouwen in de
vruchtbare leeftijd dienen fluconazol niet te gebruiken tenzij adequate
anticonceptie wordt toegepast. Bij aids-patiënten die langdurig werden
behandeld zijn fluconazol-resistente Candida albicans-isolaten gemeld. Bij een
deel van de patiënten met Cryptococcus-meningitis zet de mycologische respons
onder fluconazolbehandeling langzamer in dan onder amfotericine B in combinatie
met flucytosine.
Via i.v. infusie (max. 10 ml/min) of oraal, afhankelijk
van de klinische toestand.
Candidiasis vaginalis: Volwassenen: 150 mg
eenmalig. Kinderen: 6 mg/kg
lichaamsgewicht eenmalig.
Orofaryngeale candidiasis(ook bij gestoorde
immuunfunctie): Volwassenen: 50 mg
eenmaal per dag, eventueel verhogen tot 100 mg per dag, gedurende 7–14 dagen,
zo nodig langer. Kinderen: 3 mg/kg per
dag gedurende 7–14 dagen; eventueel kan op de eerste dag een oplaaddosis van 6
mg/kg worden gegeven.
Oesophaguscandidiasis: Volwassenen: gewoonlijk
50 mg per dag, zo nodig tot 200 mg per dag. Kinderen: 3 mg/kg per
dag; soms kan een hogere dosis tot 6 mg/kg per dag nodig
zijn.
Profylaxe van orofaryngeale candidiasis (bij
neutropenie door chemotherapie of bestraling): Volwassenen: 50 mg per
dag, zo nodig 100 mg per dag bij groot risico van ernstige recidiverende
infectie. Kinderen: 3 mg/kg per
dag, zo nodig 6 mg/kg per dag bij groot risico van ernstige recidiverende
infectie.
Profylaxe van Candida-infecties (bij neutropenie ten
gevolge van beenmergtransplantaties): Volwassenen: 400 mg per
dag. Kinderen: 3–12 mg/kg per
dag.
Systemische, diepe candidiasis: Volwassenen: eerste dag
400 mg, vervolgens 200 mg per dag; afhankelijk van de klinische respons
verhogen tot 400 mg per dag. Kinderen (bij
immuungecompromitteerde patiënten): 6–12 mg/kg per dag, afhankelijk van de
klinische en mycologische respons.
Cryptococcus-meningitis: Volwassenen: eerste dag
400 mg, vervolgens 200–400 mg per dag in 1 dosis; behandelduur ten minste
6–8 weken. Kinderen: 6–12 mg/kg per
dag; behandelduur ten minste 6–8 weken.
Profylaxe van recidief van
Cryptococcus-meningitis: (na een volledige kuur
met volle dosis): gedurende onbepaalde tijd: Volwassenen: 200 mg per
dag. Kinderen: 3–12 mg/kg per
dag.
Kinderen < 4
weken (geldt voor alle indicaties): gedurende de eerste 2 levensweken dezelfde
dosis in mg/kg als bij oudere kinderen, maar dan elke 72 uur toegediend. Tussen de
tweede en vierde levensweek wordt dezelfde dosis gegeven, maar dan elke 48
uur. Nierfunctiestoornis: startdosis 50–400 mg, daarna
de dosis aanpassen: creatinineklaring > 50 ml/min: 100% van de aanbevolen
dosis; < 50 ml/min: 50% van de aanbevolen dosis; bij patiënten op regelmatige
dialyse: 1 dosis na elke dialyse.
|