bijgewerkt tot 1 juli 2010
Farmacotherapeutisch Kompas
metoprolol [C07AB02]
Metoprolol Tabletten [Diverse fabrikanten]
(tartraat)
Tablet 50 mg, 100 mg.
(succinaat)
Tablet met gereguleerde afgifte 'Retard' 23,75 mg, 47,5 mg, 95 mg, 190 mg. Overeenkomend met resp. 25 mg, 50 mg, 100 mg en 200 mg metoprololtartraat.
Selokeen [AstraZeneca bv]
(tartraat)
Injectievloeistof 1 mg/ml; ampul 5 ml.
(succinaat)
Tablet met gereguleerde afgifte 'ZOC' 23,75 mg, 47,5 mg, 95 mg, 190 mg. Overeenkomend met resp. 25 mg, 50 mg, 100 mg en 200 mg metoprololtartraat.
CFH-Advies
Door een gunstiger bijwerkingenprofiel en daarmee een grotere toepasbaarheid gaat de voorkeur in het algemeen uit naar een selectieve β-blokker. β-Blokkers lijken qua effectiviteit bij angina pectoris en hypertensie onderling vergelijkbaar.
Bij de behandeling van hypertensie met geneesmiddelen gaat op grond van effectiviteit (aangetoonde verbetering van de prognose) en prijs in eerste instantie de voorkeur uit naar monotherapie met een thiazide of een β-blokker. Voor de voorkeur bij specifieke patiëntengroepen zie Therapie bij specifieke patiëntengroepen. Bij ouderen boven de 60 jaar heeft een thiazidediureticum de voorkeur.
Bij angina pectoris en ritmestoornissen kan een preparaat met gereguleerde afgifte worden overwogen gezien het belang van een continue bloedspiegel.
Metoprolol is één van de voorkeurmiddelen bij de onderhoudsbehandeling van migraine.
Bij chronisch matig tot matig-ernstig hartfalen (NYHA-klasse II–III) hebben β-blokkers als bisoprolol, carvedilol en metoprolol als aanvulling op behandeling met diuretica, ACE-remmers en eventueel digoxine een gunstig effect op harde eindpunten (reductie van het risico van mortaliteit en ziekenhuisopname). Instelling dient voorzichtig te gebeuren met een lage startdosering, onder controle en in specialistische handen.
Metoprolol is voor de andere indicaties nog niet beoordeeld.

Eigenschappen
Lipofiele selectieve β-blokker zonder intrinsieke sympathicomimetische activiteit. Het vermindert de invloed van adrenerge prikkels op het hart. Het hartminuutvolume en het cardiale zuurstofverbruik nemen af. Tevens wordt de AV-geleiding vertraagd en treedt een antihypertensief effect op. In de ZOC-tablet is de werkzame stof aanwezig in microgranules. Deze zijn omhuld door een membraan, die de afgifte van de stof regelt waardoor gedurende 24 uur gelijkmatige serumconcentraties worden verkregen. Anti-hypertensieve werking: maximaal na zes weken. Na stoppen van een chronische therapie kan het effect nog vier weken aanhouden.

Kinetische gegevens
F = ca. 50% door groot first-pass-effect (oraal), hoger bij gelijktijdige inname voedsel en bij levercirrose. Tmax = 1,5 uur. Vd = ca. 4–5 l/kg. Passeert de bloed-hersenbarrière makkelijk. Metabolisering: door de lever tot inactieve metabolieten, vnl. door CYP2D6. Eliminatie: via de nieren bijna volledig, 5% onveranderd. T1/2el = 3,5 uur (1–9 uur), soms langer bij levercirrose, een factor 2–4 langer bij de tabletten met gereguleerde afgifte (schijnbare eliminatiehalfwaardetijd).

Indicaties
Oraal: Onderhoudsbehandeling van stabiele angina pectoris. Supraventriculaire tachycardieën (bij paroxismale tachycardie; bij sinustachycardie of op digoxine onvoldoende reagerend boezemfibrilleren en -fladderen door hyperthyroïdie in afwachting van de uitwerking van thyrostatische therapie); ventriculaire tachycardieën (kamerextrasystolie, kamertachycardie en kamerfibrilleren door verhoogde sympathicusactiviteit). Hypertensie. Ter bestrijding van klinische verschijnselen van hyperthyroïdie. Na een hartinfarct, indien aanzienlijk risico aanwezig is dat re-infarcering of plotselinge dood optreedt (o.a. groot infarct, ernstige vroege aritmieën). Onderhoudsbehandeling van migraine. Mild tot ernstig chronisch hartfalen (NYHA-klasse II–IV) met verminderde systolische ventrikelfunctie (ejectiefractie ≤ 40%) als aanvulling op ACE-remmers, diuretica en eventueel digoxine, zowel ter verlaging van de mortaliteit als ter vermindering van het aantal ziekenhuisopnamen. Onderhoudsbehandeling na een myocardinfarct, bij wie een aanzienlijk risico is, op re-infarcering of plotselinge dood.
I.v.: Vroege interventie (binnen 12 uur) bij vermoeden van acuut myocardinfarct. Ritmestoornissen, vooral supraventriculaire tachycardieën. Tachy-aritmieën door digoxine-intoxicatie.

Contra-indicaties
Sick-sinussyndroom, tweede en derdegraads AV-blok, hypotensie, cardiogene shock, klinisch relevante sinusbradycardie. Instabiel of onbehandeld hartfalen. Onbehandeld feochromocytoom. Myocardinfarct met een hartfrequentie < 45 slagen/min, een PQ-interval > 0,24 s, een systolische bloeddruk < 100 mm Hg en/of ernstig hartfalen. Ernstige bronchiale astma of ernstige bronchospasmen in de anamnese. Voorzichtigheid is geboden bij licht tot matig astma en andere obstructieve longaandoeningen, eerstegraads AV-blok, metabole acidose, langdurig vasten, chronische nierinsufficiëntie, myasthenia gravis, diabetes mellitus, variant of prinzmetal-angina pectoris en perifere circulatiestoornissen (M Raynaud). Overgevoeligheid voor andere β-blokkers.

Zwangerschap/Lactatie
Teratogenese: Bij mens, onvoldoende gegevens. Bij dieren geen aanwijzingen voor schadelijkheid. Farmacologisch effect: Contractie van de uterus, verminderde uterus- en placentadoorbloeding, intra-uteriene groeivertraging, remming van foetale autonome reflexen, intra-uteriene dood. Bij gebruik tijdens zwangerschap en partus kunnen bij foetus en neonaat o.a. nog optreden: hypotensie, hypoglykemie en bradycardie; het pasgeboren kind strikt controleren. Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.
Overgang in moedermelk: Ja, in geringe mate (één liter moedermelk bevat < 1 mg metoprolol). Advies: De zuigeling zorgvuldig controleren op symptomen van β-blokkade.

Bijwerkingen
Zeer vaak (> 10%): vermoeidheid. Vaak (1-10%): duizeligheid, hoofdpijn. Bradycardie, orthostatische hypotensie, palpitaties, dyspneu bij inspanning, koude handen en voeten, fenomeen van Raynaud. Misselijkheid, buikpijn, diarree, obstipatie. Soms (0,1-1%): oedeem en precordiale pijn, verslechtering hartfalen, eerstegraads hartblok, cardiogene shock bij bestaand acuut myocardinfarct. Bronchospasmen (ook bij patiënten zonder obstructieve longziekte). Huiduitslag zoals urticaria, psoriasisachtige en dystrofische laesies van de huid. Paresthesie, spierkrampen. Verminderde alertheid, slaapstoornissen, nachtmerries, depressie. Gewichtstoename. Zelden (0,01-0,1%): hartaritmieën. Droge mond, droge ogen, visusstoornissen, rinitis, Haaruitval. Nervositeit, angst. Erectiele of seksuele disfunctie. Gestoorde leverfunctie. Zeer zelden (< 0,01%): gangreen bij al bestaande ernstige perifere doorbloedingsstoornissen. Trombocytopenie. Oorsuizen. Smaakstoornissen. Fotosensibilisatie, verergering psoriasis. Artralgie. Hepatitis. Geheugenverlies, verwardheid, depersonalisatie, hallucinaties.

Interacties
Vermijd de combinatie met calciumantagonisten die de contractiliteit en de AV-geleiding negatief beïnvloeden (zoals (oraal) verapamil en in mindere mate diltiazem) vanwege het risico van hypotensie, AV-geleidingsstoornissen en insufficiëntie van de linkerventrikel; bij gestoorde hartfunctie is de combinatie gecontra-indiceerd. Ook is de combinatie met intraveneus verapamil gecontra-indiceerd. Er dient rekening mee te worden gehouden dat inhalatie-anaesthetica het negatief-inotroop effect van β-blokkers kunnen versterken. β-Blokkers en andere negatief-chronotrope en -dromotrope stoffen (bv. anti-aritmica) kunnen elkaars effect versterken. De eliminatie van lidocaïne kan worden vertraagd. Hydralazine en alcohol verhogen de bloedspiegel van β-blokkers, die in de lever worden gemetaboliseerd. Sterke CYP2D6-remmers (zoals cimetidine, fluoxetine, paroxetine, sertraline, kinidine, ritonavir en terbinafine) en andere geneesmiddelen die voornamelijk door CYP2D6 worden gemetaboliseerd (zoals antihistaminica, sommige antidepressiva en antipsychotica, COX-2-remmers) kunnen eveneens de bloedspiegel van metoprolol verhogen. Rifampicine verlaagt de bloedspiegel. Digoxine en β-blokkers vertragen de AV-geleiding, zodat bij gelijktijdig gebruik AV-dissociatie kan optreden. Prostaglandinesynthetaseremmers kunnen het bloeddrukverlagend effect verminderen. Het risico van rebound-hypertensie bij staken van clonidinetoediening kan worden vergroot; daarom eerst de β-blokker stoppen. β-Blokkers kunnen door ergotaminegebruik veroorzaakte doorbloedingsstoornissen in de extremiteiten versterken. Niet-selectieve β-blokkers versterken de α-pressorreactie van epinefrine met hypertensie en bradycardie, omdat het β-effect van epinefrine wordt geremd. Mogelijk moet de dosering van insuline en orale bloedsuikerverlagende middelen worden aangepast.

Waarschuwingen en voorzorgen
Het antihypertensief effect kan pas na zes weken worden beoordeeld. De selectiviteit neemt af met het hoger worden van de dosering. De i.v. toediening dient klinisch te worden toegepast onder controle van ecg en bloeddruk. Te snelle i.v. toediening kan leiden tot ernstige hypotensie en shock. Bij de behandeling van een (vermoed) myocardinfarct na elke i.v. dosis van 5 mg ecg en bloeddruk controleren. Instelling op orale therapie dient onder controle van de polsslag te geschieden (bv. 1×/w. gedurende 3–4 w.). Indien de hartfrequentie afneemt tot 50–55 slagen/min dient de dosering te worden verlaagd. Bij 'ernstiger' bradycardie (< 50 slagen/min) de toediening staken. Beëindiging – ook tijdelijk – van een behandeling met β-blokkers dient, zo mogelijk, geleidelijk plaats te vinden gedurende 1–3 weken. Plotseling staken kan leiden tot ernstige aritmieën of verergering van angina pectoris of hartfalen. Bij hartfalen bij iedere dosis-verhoging de patiënt zorgvuldig evalueren; bij optreden van hypotensie kan een tijdelijke verlaging van de dosering nodig zijn of een verlaging van de dosering van de gelijktijdig gebruikte medicatie. Er is geen ervaring van het gebruik van metoprolol bij hartfalen met restrictieve en hypertrofische cardiomyopathie, met een aangeboren hartafwijking, met hemodynamisch significante organische hartklepafwijkingen, met sterk verminderde nier- en leverfunctie, met een myocardinfarct binnen drie maanden en met een leeftijd > 80 jaar. Na een myocardinfarct metoprolol niet geven indien de hartfrequentie < 45 slagen/min is, de PQ-tijd > 0,24 s of de systolische bloeddruk < 100 mm Hg en/of er sprake is van ernstig hartfalen. β-Blokkers kunnen de adrenerge symptomen van hyperthyroïdie en van hypoglykemie maskeren. Herstel van de glucosespiegel na hypoglykemie kan worden vertraagd; de selectieve β-blokkers hebben dit effect in veel mindere mate. Bij continuering van toediening van een β-blokker tijdens algemene anesthesie dient men rekening te houden met een veranderde hemodynamische respons op stress. Voorzichtigheid is geboden bij ernstige overgevoeligheidsreacties in de anamnese en tijdens desensibilisatietherapie, omdat vooral niet-selectieve β-blokkers de gevoeligheid voor allergenen en de ernst van anafylactoïde reacties kunnen doen toenemen. Bij een voorgeschiedenis van psoriasis is terughoudendheid met β-blokkers geboden.

Overdosering
Symptomen: bradycardie, hartstilstand, hypotensie, acute hartinsufficiëntie, bronchospasmen, hypoglykemie, hyperkaliëmie, gegeneraliseerde convulsies en coma. Effecten van een massieve overdosering kunnen gedurende enkele dagen blijven bestaan, ondanks het feit dat plasmaconcentraties afgenomen zijn.
Therapie: Bij ernstige bradycardie: i.v. atropine, zo nodig gevolgd door isoprenaline; in refractaire gevallen een pacemaker inbrengen. Hypotensie en shock behandelen met plasma of plasmavervangingsmiddelen. β-Blokkade kan worden tegengegaan door i.v. isoprenaline of dobutamine; in refractaire gevallen kan isoprenaline met dopamine worden gecombineerd. Bij onvoldoende resultaat i.v. glucagon overwegen, dat buiten de bezette β-receptor om door verhoging van de concentratie cAMP de contractiliteit van het myocard kan verhogen. Bij convulsies diazepam toedienen en bij bronchospasmen een β2-agonist of aminofylline. Correctie van het serumcalcium dient te worden overwogen.

Dosering
De dosering dient individueel te worden ingesteld; het verdient aanbeveling met een zo laag mogelijke dosering te beginnen om eventuele decompensatieverschijnselen of bronchiale moeilijkheden vroegtijdig te kunnen opmerken; dit geldt vooral voor ouderen en bij lichte tot matige bronchospastische aandoeningen. Hogere doses dan hier aangegeven vergroten het therapeutisch effect in het algemeen niet. Bij hypertensiebehandeling verdient het aanbeveling na ieder jaar succesvolle therapie te proberen de dosering te verlagen.
Hypertensie: Volwassenen: Oraal: gebruikelijke dosering 100–200 mg 1×/dag, max. 400 mg per dag. ZOC-tabletten: begindosering 50 mg 1×/dag 's ochtends; bij onvoldoende effect verhogen tot 100 mg 1×/dag, eventueel 200 mg per dag. Kinderen 6–18 j: 1,0 mg/kg lichaamsgewicht 1×/dag, afgerond naar de doseringssterkte van beschikbare tabletten, met een maximum van 50 mg 1×/dag. Bij onvoldoende effect eventueel verhogen tot 2,0 mg/kg lichaamsgewicht 1×/dag. Doseringen boven 200 mg 1×/dag zijn niet onderzocht bij deze leeftijdsgroep.
Angina pectoris: Oraal: 100–200 mg per dag, max. 400 mg per dag. ZOC-tabletten: begindosering 100 mg 1×/dag 's ochtends; bij onvoldoende effect kan worden verhoogd, max. 400 mg per dag. Gebruikelijke onderhoudsdosering: 100–200 mg per dag.
Hyperthyroïdie: Oraal: 150–200 mg per dag in 3–4 giften, eventueel hoger. ZOC-tabletten: 100 mg 1–2×/dag, eventueel verhogen.
Hartritmestoornissen: Intraveneus: begindosering 5 mg (= 5 ml) langzaam injecteren (1–2 ml/min); bij onvoldoende effect telkens na 5 minuten herhalen tot een totale dosis van 10–15 mg, max. 20 mg. Oraal (tabletten): gemiddelde onderhoudsdosering: 100–200 mg per dag in 2–3 giften. ZOC-tabletten: 100–200 mg 1×/dag.
Myocardinfarct: acute behandeling: 15 mg i.v., verdeeld over drie injecties van 5 mg die met een tussenpoos van 2 min op geleide van ecg en bloeddruk worden toegediend; 15 min na de laatste injectie en na voldoende hemodynamische stabilisatie beginnen met orale therapie ter preventie van re-infarct of plotselinge dood: begindosering 50 mg 2–4×/dag gedurende 2–3 dagen; onderhoudsdosering: 100 mg 2×/dag of met de ZOC-tabletten 200 mg 1×/dag.
Onderhoudsbehandeling migraine: Oraal: 100–200 mg per dag in 1–2 giften. ZOC-tabletten: 100–200 mg 1×/dag.
Matig tot ernstig chronisch hartfalen (NYHA-klasse II–IV): Oraal: na instelling op standaardbehandeling (diuretica, ACE-remmers, eventueel digoxine) bij NYHA-klasse II beginnen met 25 mg 1×/dag gedurende twee weken en bij NYHA-klasse III–IV met 12,5 mg 1×/dag gedurende de eerste week en 25 mg 1×/dag gedurende de tweede week. Vervolgens indien mogelijk de dosering om de week verdubbelen tot de streefdosering van 200 mg (ZOC-tablet) 1×/dag (tevens de maximum dosering) of tot de maximaal getolereerde dosering.
Bij ernstige leverfunctiestoornissen kan het noodzakelijk zijn de dosering te verlagen.
Bij lichte tot matige bronchospastische aandoeningen niet hoger doseren dan 200 mg oraal per dag en in combinatie met een bronchusverwijdend middel.
NB: De hele of gehalveerde ZOC-tabletten innemen zonder kauwen met ruim water.

verklaring van de symbolen
Aan de aanspraak op dit middel zijn voorwaarden gesteld, zie bijlage 2 horende bij de Regeling zorgverzekering.
Dit middel is niet opgenomen in het geneesmiddelenvergoedingssysteem.
Dit middel is nog niet beoordeeld door de CFH.
Zelfzorgmiddel ('over the counter').
'New chemical entity' - nieuwe chemische stof.