CFH-Advies
Bij de
behandeling van hypertensie met geneesmiddelen komt in eerste instantie
monotherapie in aanmerking. Bij onvoldoende resultaat met een thiazide of een
β-blokker alléén kan men een thiazide en β-blokker combineren en valt een vaste
combinatie te overwegen. Bij het voorschrijven van een combinatiepreparaat
dient men zich altijd te blijven realiseren wat de componenten van de
combinatie zijn.
Combinatie van een thiazidediureticum en een lipofiele
selectieve β-blokker zonder intrinsieke sympathicomimetische activiteit. In de
'ZOC'-tablet en de generieke tablet met gereguleerde afgifte wordt alleen metoprololsuccinaat vanuit omhulde microgranules
gereguleerd afgegeven. De 'Durette' is opgebouwd uit twee lagen: één laag met
hydrochloorthiazide met een normaal afgifte patroon; de andere laag is een
matrix (een onoplosbare spons, die men in de feces mogelijk kan terugvinden),
waaruit metoprolol gereguleerd wordt afgegeven.
Kinetische gegevens Metabolisering: in de lever, metoprolol vnl. door CYP2D6 tot onwerkzame metabolieten. Eliminatie: via de nieren, hydrochloorthiazide volledig en vrijwel
onveranderd, metoprolol vnl. als metaboliet.
Hypertensie, die onvoldoende heeft gereageerd op adequate
behandeling met een β-blokker of diureticum alléén.
Sick-sinussyndroom, tweede- en derdegraads
AV-blok, klinisch relevante sinusbradycardie. Onbehandeld hartfalen.
Cardiogene shock. Ernstige perifere circulatiestoornissen (M
Raynaud). Ernstig gestoorde nier- (creatinineklaring < 35 ml/min) of leverfunctie. Overgevoeligheid voor sulfonamidederivaten. Myocardinfarct met een hartfrequentie < 45 slagen/min, een
PR-interval > 0,24 s, een systolische bloeddruk < 100 mm Hg en/of
ernstig hartfalen. .
Teratogenese: Zowel bij mens als bij dieren, onvoldoende gegevens. Farmacologisch effect: Bij gebruik later tijdens de zwangerschap kan een β–blokker bij de foetus en de neonaat aanleiding geven tot hypoglykemie, hypotensie en bradycardie; het pasgeboren kind strikt hierop controleren. Bij gebruik van hydrochloorthiazide dient er bij de vrouw rekening te worden gehouden met afname van het circulerend bloedvolume en bij de neonaat met icterus neonatorum, trombocytopenie en verstoring van de elektrolytenbalans. Advies: Gebruik ontraden.
Overgang in moedermelk: Ja (metoprolol in geringe mate, hydrochloorthiazide). Farmacologisch effect: Verhoging vrij bilirubine (hydrochloorthiazide). Overige: Thiazidediuretica kunnen de lactatie remmen. Advies: Gebruik ontraden.
Inherent aan de farmacologische werkzaamheid kunnen zijn:
bronchospasmen, bradycardie, hypotensie en duizeligheid, koude en cyanotische
acra en verstoring van de water- en elektrolytenbalans (hypokaliëmie,
hyponatriëmie, hypochloremische acidose, hypercalciëmie). Daarnaast kunnen
voorkomen: hyperurikemie (soms gepaard gaande met een acute jichtaanval),
verminderde glucosetolerantie (leidend tot verergering van bestaande of
manifest worden van latente diabetes mellitus), verhoging van de serumlipiden,
verergering van bestaande nierinsufficiëntie, impotentie, maag-darmklachten
(misselijkheid, braken, diarree), vermoeidheid, verminderd concentratie- en
reactievermogen, hoofdpijn, depressies en verstoring van het slaappatroon. In
zeldzame gevallen bloedafwijkingen (o.a. agranulocytose), allergische reacties
(allergische vasculitis, epidermale necrolyse of acuut longoedeem),
cholestatische icterus, pancreatitis, visusstoornissen (xanthopsie, voorbijgaande
myopie), spierkrampen, droge mond, haaruitval, libido- en potentiestoornissen en
paresthesieën. Klachten over droge ogen zijn met het gebruik in verband
gebracht.
Combinatie met calciumantagonisten die voornamelijk een
negatief-inotroop, -chronotroop en -dromotroop effect uitoefenen (zoals
diltiazem en vooral verapamil) moet wegens het risico van hypotensie,
AV-geleidingsstoornissen en insufficiëntie van de linkerventrikel worden vermeden; bij
gestoorde hartfunctie is de combinatie gecontra-indiceerd. Het kaliumverlies (intra- en extracellulair) kan leiden
tot toegenomen toxiciteit van digoxine en niet-depolariserende
spierrelaxantia. Het effect op de kaliumhuishouding kan worden versterkt door
gastro-intestinale aandoeningen of gelijktijdig gebruik van corticosteroïden of
kaliumarm dieet. Negatief-inotrope stoffen
(inhalatie-anaesthetica) of negatief-chrono- of dromotrope stoffen
(membraanstabiliserende anti-aritmica) kunnen het effect versterken. De
eliminatie van lidocaïne kan worden vertraagd. Prostaglandinesynthetaseremmers
kunnen het bloeddrukverlagend effect verminderen. De werking van insuline en
orale bloedglucoseverlagende middelen kan worden beïnvloed. De renale lithiumklaring neemt af.
Sterke CYP2D6-remmers (zoals amiodaron, cimetidine, fluoxetine, paroxetine, sertraline, kinidine, ritonavir en terbinafine) kunnen de bloedspiegel van metoprolol verhogen. Hydralazine en alcohol versterken de werking. Bij combinatie met
clonidine is voorzichtigheid geboden wegens risico van ernstige
reboundhypertensie bij staken van het gebruik van clonidine; daarom eerst de
β-blokker stoppen. Sympathicomimetica antagoneren de werking.
Waarschuwingen en voorzorgen
Instelling van de therapie dient onder controle te
geschieden (bv. 1× per 2 weken gedurende 3–6 weken), indien tevoren geen
monotherapie met een β-sympathicolyticum werd gegeven. Als de hartfrequentie
afneemt tot 50–55 slagen per minuut, dient de dosering te worden verlaagd. Bij
'ernstiger' bradycardie (< 50 slagen/min) moet de behandeling worden
gestaakt. Plotseling staken kan leiden tot aritmieën of verergering van angina
pectoris. Beëindiging van de toediening dient daarom – zo mogelijk –
geleidelijk in 1–2 weken te geschieden. Verder is voorzichtigheid geboden bij astma en andere obstructieve
longaandoeningen, eerstegraads AV-blok, metabole acidose, langdurig vasten,
myasthenia gravis, diabetes mellitus en 'variant' of
prinzmetal-angina pectoris. Frequente controle van diabetes
mellitus is geïndiceerd, omdat het preparaat interfereert met de
glucosestofwisseling en de werking van insuline en orale bloedglucoseverlagende middelen.
Symptomen van hypoglykemie en hyperthyroïdie worden gemaskeerd. Herstel van de
glucosespiegel na hypoglykemie kan zijn vertraagd, dit geldt voor selectieve
β-blokkers in veel mindere mate. Bij continuering van de toediening tijdens
algehele anesthesie dient men rekening te houden met een veranderde
hemodynamische respons op stress. Vanwege het effect op de kaliumhuishouding
verdient het aanbeveling het serumkaliumgehalte tijdens behandeling te
controleren en zo nodig te corrigeren. De werkzaamheid en veiligheid bij kinderen is niet vastgesteld. Hydrochloorthiazide kan een positieve uitslag geven in een dopingtest.
Symptomen: Bradycardie, hypotensie, acute hartinsufficiëntie, coma, shock,
bronchospasme, verstoring van de water- en elektrolytenbalans.
Therapie: Bij ernstige bradycardie: atropine i.v., zo nodig gevolgd door
isoprenaline; in refractaire gevallen een pacemaker inbrengen. Bij ernstige
hypotensie: een sympathicomimeticum (dopamine of epinefrine) i.v., eventueel
gevolgd door glucagon. Bij hartinsufficiëntie: onmiddellijk conventioneel
behandelen met hartglycosiden, diuretica, zuurstof en bij acute intoxicaties
eventueel glucagon. Bij ernstig bronchospasme: een parasympathicolyticum,
β2-sympathicomimeticum of aminofylline parenteraal, eventueel gecombineerd met
corticosteroïden (ter preventie van secundair bronchospasme).
1 tablet 'ZOC 100' of 1 tablet met gereguleerde afgifte '100', 's morgens bij voorkeur tijdens het ontbijt,
bij onvoldoende resultaat 1 tablet 'Durette 200'.
De tabletten in zijn geheel innemen zonder kauwen;
de 'ZOC 100' tablet kan worden gehalveerd.
|