CFH-Advies
Bij de behandeling van acute psychosen heeft haloperidol in een lage dosering (4–10 mg/dag) op basis van effectiviteit en ervaring de voorkeur. Bij chronische beelden wordt op individuele gronden gekozen voor een klassiek antipsychoticum zoals haloperidol of een atypisch antipsychoticum, zoals olanzapine. Bij de behandeling van een manische episode zijn lithium, valproïnezuur of klassieke of atypische antipsychotica, zoals olanzapine middelen van eerste keus. Antipsychotica hebben met name bij ernstige manie de voorkeur. Olanzapine i.m. injectievloeistof komt vooralsnog alleen in
aanmerking bij patiënten die op gebruik van klassieke antipsychotica hebben
gereageerd met acute dystonie. Zypadhera is nog niet beoordeeld. Olanzapine oraal is voor de behandeling van een matige tot ernstige manische episode en ter preventie bij bipolaire stoornis nog niet beoordeeld. Olanzapine i.m. injectievloeistof is nog niet beoordeeld voor agitatie tijdens een manische episode.
Antipsychoticum met een blokkerende werking op
receptoren voor serotonine (o.a. 5-HT2A/2C en 5-HT3),
dopamine (D1t/m5), muscarine (m1t/m5), adrenerge
(α1) en histamine (H1). De orodispergeerbare tablet is bio-equivalent aan de omhulde tablet. De orodispergeerbare tablet lost snel op in het speeksel en kan gemakkelijk worden ingeslikt. Na i.m. suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte begint de langzame desintegratie van olanzapinepamoaatzout in spierweefsel, wat zorgt voor een continue afgifte van olanzapine gedurende meer dan 4 weken; na 8–12 weken wordt de afgifte steeds minder, na 6–8 maanden is deze voltooid.
Kinetische gegevens Tmax = oraal 5–8 uur; i.m. 15–45 min. Plasma-eiwitbinding: 93%. Metabolisering: in de lever via CYP1A2 en CYP2D6 tot significant minder
actieve metabolieten. Eliminatie: via de nieren (60%). T1/2el = oraal, i.m.: 30 uur, bij gestoorde leverfunctie en hoge leeftijd tot 50
uur; i.m. met gereguleerde afgifte 30 dagen.
Oraal: Schizofrenie. Matige tot ernstige manische episode. Ter preventie van een recidief bij patiënten met bipolaire stoornis, wiens manische episode heeft gereageerd op olanzapine. I.m. injectievloeistof (Zyprexa): kortdurend gebruik voor de snelle controle van agitatie en verstoord gedrag bij schizofrenie of een manische episode indien orale
therapie niet geschikt is. I.m. suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte (Zypadhera): onderhoudsbehandeling van schizofrenie bij volwassenen die voldoende zijn gestabiliseerd met oraal olanzapine.
Bij risico van nauwe-kamerhoekglaucoom.
Teratogenese: Bij de mens onvoldoende gegevens. Bij dieren geen aanwijzingen voor schadelijkheid. Overig: Bij kinderen van moeders die gedurende het derde trimester olanzapine gebruikten is zeer zelden tremor, hypertonie, slaperigheid gemeld. Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken.
Overgang in de moedermelk: Ja, gemiddelde blootstelling in steady-state wordt geschat op 1,8 % van de maternale olanzapinedosis (mg/kg). Advies: Het geven van borstvoeding wordt ontraden.
Zeer vaak (> 10%): slaperigheid, gewichtstoename en bij de ziekte van Parkinson verergering van Parkinsonsymptomen en hallucinaties.
Abnormale loop en vallen bij Alzheimer-patiënten. Voorbijgaande stijging van de
plasmaprolactinespiegel met zelden gynaecomastie, galactorroe en
borstvergroting. Vaak (1-10%): eosinofilie, toegenomen eetlust, verhoogde
glucosespiegels, verhoogde triglyceriden- en cholesterolspiegels, glucosurie, lichte, voorbijgaande
anticholinergische effecten zoals obstipatie en droge mond; orthostatische
hypotensie, duizeligheid, acathisie, parkinsonisme, dyskinesie, asthenie, moeheid, oedeem. Voorbijgaande
stijging van levertransaminasewaarden. (Huid)uitslag. Pneumonie, temperatuurverhoging, lethargie, erytheem, visuele hallucinaties en urine-incontinentie bij Alzheimer-patiënten. Soms
(0,1-1%): leukopenie, neutropenie, fotosensibilisatie, kaalheid, bradycardie, QT-verlenging. Stijging van de
creatinekinasespiegel, verhoogd totaal bilirubine. Verder is gemeld: trombocytopenie, allergische reactie, ontwikkeling of een
exacerbatie van bestaande diabetes in enkele gevallen geassocieerd met
ketoacidose of coma, waaronder enkele met een fatale afloop, onderkoeling, convulsies, maligne antipsychoticasyndroom, dystonie, tardieve dyskinesie, ontwenningsverschijnselen, ventriculaire tachycardie/fibrillatie, plotselinge dood, trombo-embolie, hepatitis, pancreatitis, rabdomyolyse, vertraagde urinelozing, priapisme,
verhoogde alkalische fosfatase. Verhoogde mortaliteit en cerebrovasculaire bijwerkingen zijn gemeld bij ouderen met dementie. Na toediening i.m.
injectievloeistof bovendien vaak: irritatie op injectieplaats, bradycardie, tachycardie, hypotensie; soms: sinuspauze,
hypoventilatie. Bij de behandeling van een manische episode werd in combinatie met valproïnezuur een incidentie van 4,1% neutropenie gemeld. In combinatie met lithium of valproïnezuur werd zeer vaak een toename van tremor, droge mond en een toename van eetlust en gewicht gemeld en vaak een spraakstoornis. Na toediening i.m. suspensie met gereguleerde afgifte: vaak pijn op de injectieplaats, en minder vaak andere reacties op de injectieplaats; verder is gemeld: het post-injectie syndroom met symptomen van overdosering
Carbamazepine versnelt de eliminatie van olanzapine door
inductie van CYP1A2. Krachtige remmers van CYP1A2, fluvoxamine, ciprofloxacine
of ketoconazol, kunnen de klaring verminderen, waardoor een lagere
(begin)dosering moet worden overwogen. Gelijktijdig gebruik van
benzodiazepinen en i.m. olanzapine kan het sedatieve effect versterken en mag slechts met een
interval van ten minste één uur en met grote voorzichtigheid plaatsvinden.
Mogelijk additief neveneffect is te verwachten in combinatie met potentieel
hepatotoxische middelen. Combinatie met antihistaminica, antidepressiva,
barbituraten, slaapmiddelen, analgetica, opiaten of alcohol versterkt de
sederende werking. De werking kan worden verminderd van levodopa en dopamine-agonisten. Bij gelijktijdig gebruik met valproïnezuur is vaak neutropenie gemeld. Het bloeddrukverlagend effect van labetalol en andere
α-blokkerende sympathicolytica en centraal
werkende antihypertensiva kan worden versterkt.
Waarschuwingen en voorzorgen
Het gebruik kan leiden tot verminderd reactie- en
concentratievermogen. Vele dagelijkse bezigheden (bv. autorijden) kunnen
daarvan hinder ondervinden. Bij mensen met een gestoorde leverfunctie of verhoogde
levertransaminasewaarden, periodiek controleren (ALAT/ASAT) en eventueel de
dosis verminderen. Bij hepatitis de behandeling staken. Het risico
van tardieve dyskinesie neemt toe bij langdurige therapie. Bij optreden van de
eerste symptomen hiervan de dosering verminderen of de therapie staken. Na
stoppen kunnen deze symptomen tijdelijk verergeren of zelfs nog ontstaan. Bij symptomen van maligne antipsychoticasyndroom of bij onverklaarde hoge
koorts de toediening staken. Bij staken de dosering bij voorkeur geleidelijk verminderen omdat bij abrupt stoppen zeer zelden acute symptomen (transpiratie, tremor, angst, maag-darmklachten) zijn gemeld. Voorzichtigheid is geboden bij prostaathypertrofie of paralytische ileus en verwante aandoeningen, vanwege de anticholinerge werking en omdat klinische ervaring bij comorbiditeit ontbreekt. Het gebruik wordt niet aanbevolen bij geneesmiddel-geïnduceerde psychose bij de ziekte van Parkinson, omdat werkzaamheid niet is aangetoond en zeer vaak een verergering van parkinsonsymptomen en hallucinaties is gemeld. Het gebruik wordt evenmin aanbevolen bij aan dementie gerelateerde psychose en/of gedragsstoornissen door een vergroot risico van sterfte en CVA. Bij ouderen boven 65 jaar wordt aangeraden
regelmatig de bloeddruk te meten. Bij (risicofactoren
voor) diabetes mellitus regelmatig glucose en het gewicht controleren. Bij (risicofactoren
voor) lipidenstoornissen, veranderingen in lipiden reguleren. Voorzichtigheid is geboden bij (risicofactoren
voor) convulsies en beenmergdepressie, en bij een laag aantal leukocyten en/of neutrofielen, hypereosinofilie,
myeloproliferatieve ziekten. Voorzichtigheid is geboden met middelen die
het QTc-interval verlengen, vooral bij ouderen, het congenitaal lange
QT-tijd syndroom (LQTS), congestief hartfalen, hypertrofie van het hart, hypokaliëmie,
hypomagnesiëmie. Roken versnelt de eliminatie van olanzapine. Dit middel kan door
pupilverwijding de oogdruk verhogen en een aanval van acuut glaucoom
veroorzaken. Niet i.m. toedienen bij instabiele medische condities als acuut
hartinfarct, instabiele angina pectoris, ernstige hypotensie en/of bradycardie, sick-sinussyndroom of na een operatie. I.m. toediening is niet onderzocht bij alcohol- of
geneesmiddelenintoxicatie. Met name de eerste twee tot vier uur na i.m. toediening van de injectievloeistof is
observatie voor hypotensie aangewezen. Na toediening van de suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte is minimaal 3 uur observatie aangewezen op teken van overdosering. Olanzapine niet gebruiken bij kinderen en adolescenten (< 18 j.) vanwege een gebrek aan gegevens over veiligheid en werkzaamheid; vergeleken met volwassenen is in kortdurend onderzoek een grotere mate van gewichtstoename en veranderingen in lipiden en prolactine gemeld. De injectie met gereguleerde afgifte is niet aanbevolen bij mensen > 75 jaar.
Symptomen: tachycardie, agitatie, dysartrie, extrapiramidale symptomen, verminderd bewustzijn, variërend van sedatie tot coma.
Dodelijke afloop is gemeld na acute overdosis vanaf 450 mg, maar ook overleving
na acute overdosis van 1500 mg.
Volwassenen: Oraal: Schizofrenie: begindosering 10 mg 1×/dag. Op basis
van het klinisch beeld de dosering verder aanpassen: 5–20 mg per dag,
doseringen hoger dan de startdosering mogen alleen worden toegepast na een
juiste medische herbeoordeling en met intervallen van > 24 uur.
Manische episode: begindosering 15 mg 1×/dag bij monotherapie of 10 mg per dag in combinatie met lithium of valproïnezuur. Op basis
van het klinisch beeld de dosering verder aanpassen: 5–20 mg per dag,
doseringen hoger dan de startdosering mogen alleen worden toegepast na een
juiste medische herbeoordeling en met intervallen van > 24 uur.
Ter preventie van een recidief bij bipolaire stoornis: begindosering 10 mg per dag. Op basis
van het klinisch beeld de dosering verder aanpassen: 5–20 mg per dag,
doseringen hoger dan de startdosering mogen alleen worden toegepast na een
juiste medische herbeoordeling en met intervallen van > 24 uur. Ouderen en mensen met lever- of nierfunctiestoornis: een lagere
dosering overwegen van bijvoorbeeld 5 mg per dag. De lagere dosering ook
toepassen, wanneer meer dan één factor aanwezig is die kan leiden tot een
trager metabolisme (vrouwelijk geslacht, hogere leeftijd, niet roken, eventueel
relevante comedicatie).
I.m. injectievloeistof: snelle controle agitatie en verstoord gedrag: Volwassenen: begindosering 10 mg i.m., op basis van
individuele klinische toestand kan een lagere dosis (5 mg of 7½ mg) worden
gegeven; zonodig na 2 uur een tweede injectie à 5–10 mg; max. 20 mg (incl.
oraal) verdeeld over max. 3 injecties per dag, gedurende max. 3 opeenvolgende
dagen. Ouderen > 60 j.: begindosering 2,5–5
mg i.m., afhankelijk van de klinische toestand na 2 uur een tweede injectie à 2,5–5
mg; max. 3 injecties per dag. Verminderde nier- en/of leverfunctie: lagere
begindosis (5 mg) overwegen. Bij meer dan één factor die kan leiden tot een
trager metabolisme (vrouwelijk geslacht, hogere leeftijd, niet-rokerstatus) overwegen
de dosering te verlagen.
I.m (diep intragluteaal) suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte: onderhoudsbehandeling schizofrenie na stabilisatie met oraal olanzapine volwassenen: na stabilisatie op oraal 10 mg/dag: starten met i.m. 210 mg/2 weken of 405 mg/4 weken, vervolgens na 2 maanden onderhoudsdosering i.m 150 mg/2 weken of 300 mg/4 weken; na stabilisatie op oraal 15 mg/dag: starten met i.m. 300 mg/2 weken, vervolgens na 2 maanden onderhoudsdosering i.m 210 mg/2 weken of 405 mg/4 weken; na stabilisatie op oraal 20 mg/dag: starten met i.m. 300 mg/2weken en na 2 maanden ook onderhoudsdosering i.m 300 mg/2 weken. Suppletie met oraal olanzapine is niet onderzocht, indien dit is aangewezen mag de gecombineerde totale dosis niet hoger zijn dan de overeenkomstige maximale dosering van 20 mg/dag oraal olanzapine. Ouderen tot 76 jaar en bij een verminderde nier- en/of leverfunctie: een lagere startdosis overwegen. Bij een matige leverinsufficiëntie in elk geval starten met 150 mg/4 weken. Bij > 1 factor voor een vertraagde eliminatie (vrouwelijk geslacht, oudere, niet-rokerstatus) een verlaging van de dosis overwegen.
|