CFH-Advies
Bij de behandeling van acute psychosen heeft haloperidol in een lage dosering (4–10 mg/dag) op basis van effectiviteit en ervaring de voorkeur. Bij chronische beelden wordt op individuele gronden gekozen voor een klassiek antipsychoticum zoals haloperidol of een atypisch antipsychoticum, zoals risperidon. Bij de behandeling van een manische episode zijn lithium, valproïnezuur of klassieke of atypische antipsychotica, zoals risperidon, middelen van eerste keus. Antipsychotica hebben met name bij ernstige manie de voorkeur. De Commissie vindt het depotpreparaat (Consta) onvoldoende onderzocht bij de onderhoudsbehandeling van schizofrenie. Een grotere werkzaamheid bij patiënten die met orale behandeling problemen ondervinden met therapietrouw is niet aangetoond maar wel aannemelijk. In vergelijking met de klassieke depotpreparaten moet het frequenter worden toegediend, eenmaal per twee in plaats van vier weken. Risperidon is nog niet beoordeeld voor aanhoudende agressie bij de ziekte van Alzheimer en voor gedragsstoornissen bij kinderen.
Atypisch antipsychoticum met sterke antiserotoninerge
(5-HT2) en antidopaminerge (-D2) activiteit en met matige
α1-blokkerende eigenschappen. Risperidon heeft een gering
α2-blokkerend en antihistaminerg (-H1) vermogen. Het
heeft geen affiniteit tot de cholinerge receptor.
Kinetische gegevens Resorptie: volledig. Tmax = oraal 1–2 uur, i.m. vanaf 3 weken tot week 7. Vd = 1–2 l/kg. Plasma-eiwitbinding: 90%. Metabolisering: via CYP2D6 tot o.a. actief
9-hydroxyrisperidon met eenzelfde activiteit als risperidon. Risperidon en 9-hydroxyrisperidon vormen samen de actieve antipsychotische fractie; deze is bij uitgebreide en slechte metaboliseerders vergelijkbaar. Eliminatie: na 1 w. ca. 70% via de nieren, waarvan 35–45% als actieve fractie. T1/2 = 3 uur (risperidon), 24 uur (actieve antipsychotische fractie en werkzame metaboliet). De tablet en orodispergeerbare tabletten zijn bio-equivalent.
Oraal: schizofrenie. Matig tot ernstige manische episode bij bipolaire stoornissen. Kortdurende behandeling (< 6 weken) van aanhoudende agressie bij patiënten met matige tot ernstige ziekte van Alzheimer die niet reageren op niet-medicamenteuze behandeling en als er gevaar is voor de patiënt of anderen. Kortdurende behandeling (< 6 weken) van aanhoudende agressie bij kinderen vanaf 5 jaar en adolescenten met mentale retardatie of minder dan gemiddeld intellectueel functioneren met ernstig agressief of ander storend gedrag, in het kader van een bredere behandeling inclusief psychosociale en educatieve interventie en voorgeschreven door een arts die goed vertrouwd is met de behandeling van gedragsstoornissen bij deze populatie. Depot: onderhoudsbehandeling van schizofrenie nadat de patiënt gestabiliseerd is op orale antipsychotica.
Teratogenese: Bij de mens, onvoldoende gegevens. Bij dieren geen aanwijzingen voor teratogeniteit, maar wel voor andere vormen van reproductietoxiciteit (negatief effect op geboortegewicht en overleving van nakomelingen). Farmacologisch effect: Neonatale ontwenningsverschijnselen en reversibele extrapiramidale symptomen zijn waargenomen na blootstelling aan antipsychotica in het laatste trimester van de zwangerschap. Bij dieren zijn, na intra-uteriene blootstelling bij de nakomelingen, cognitieve functiestoornissen op de volwassen leeftijd waargenomen. Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken. Kinderen van moeders die gedurende het derde trimester risperidon gebruikten, controleren op tremor, spierstijfheid of -zwakte, slaperigheid, agitatie, ademhalings- en voedingsproblemen.
Overgang in de moedermelk: In geringe mate. Farmacologisch effect: Via verhoging van de prolactinespiegel kan het de hoeveelheid melk verhogen. Advies: Afwegen.
Zeer vaak (> 10%): parkinsonisme, hoofdpijn, slapeloosheid. Vaak (1-10%): verhoogde prolactineconcentratie (soms leidend tot galactorroe, cyclusstoornissen bij
de vrouw, gynaecomastie), gewichtstoename (gem. 2,7 kg na 1 j.), extrapiramidale verschijnselen (tremor, dyskinesie, dystonie, acathisie), slaperigheid, sedatie, duizeligheid, wazig zien, dyspneu, epistaxis, hoesten, maag-darmklachten, droge mond, enuresis, huiduitslag, erytheem, rug- gewrichtspijn, pijn in extremiteit, veranderde eetlust, luchtweg-, urineweginfectie, koorts, vermoeidheid, perifeer oedeem, asthenie, pijn op de borst, tachycardie, agitatie, angst, slaapstoornis. Soms (0,1-1%): abnormaal ECG, verlengd QT-interval, AV- en bundeltakblok, atriumfibrilleren, sinusbradycardie, palpitaties, diabetes mellitus, hyperglykemie, verhoogde transaminasespiegel, verlaagd Hb en aantal witte bloedcellen, verhoogd aantal eosinofielen, anemie, trombocytopenie, verhoogd creatinekinase, verminderd bewustzijn, CVA, TIA, spraakstoornis, aandachtsstoornis, evenwichtsstoornis, tardieve dyskinesie, conjunctivitis, droge ogen, tranende ogen, fotofobie, ademhalingsstoornis, slikstoornis, gastritis, (fecale) incontinentie, pollakisurie, overgevoeligheid, pruritus, onychomycose, angio-oedeem, alopecia, huidaandoeningen, huidverkleuring, spierzwakte, -pijn, (virus)infectie, otitis media, (orthostatische) hypotensie, dorst, erectie-, ejaculatie- en orgasmestoornis, lusteloosheid, manie. Zelden (0,01-0,1%): verlaagde lichaamstemperatuur, granulocytopenie, maligne antipsychoticasyndroom, rabdomyolyse, cerebrovasculaire stoornis, hersenischemie, bewegingsstoornis, hypoglykemie, glaucoom, slaapapneu, darmobstructie, pancreatitis, , SIADH, geelzucht. Zeer zelden (< 0,01%): diabetische ketoacidose. Verder is gemeld: agranulocytose, water-intoxicatie, priapisme. Bij ouderen
met dementie was de frequentie van urineweginfectie, perifeer oedeem, moeheid en hoesten minstens tweemaal zo hoog als bij volwassenen. Bij kinderen was de frequentie van slaperigheid, moeheid, hoofdpijn, versterkte eetlust, braken, bovenste luchtweginfectie, hoesten, koorts, buikpijn, duizeligheid, tremor, diarree en enuresis minstens tweemaal zo hoog als bij volwassenen. Bij gebruik van antipsychotica is veneuze trombo-embolie gemeld, waaronder longembolie en diepveneuze trombose. Verder bij de depotvorm: (ernstige) reactie op de injectieplaats (necrose, abces, zweer, cellulitis, hematoom, cyste, knobbeltje), gewichtsafname, stijging van leverenzymwaarden, neutropenie, paresthesie, convulsie, blefarospasme, vertigo, tandpijn, spasme van de tong, vallen, hypertensie, depressie, een verhoogd aantal witte bloedcellen.
Gelijktijdig gebruik van
antihistaminica, antidepressiva, slaapmiddelen, analgetica,
opiaten of alcohol versterkt de sederende werking. Fluoxetine en paroxetine, en mogelijk ook andere CYP2D6-remmers, verhogen de plasmaconcentratie, maar in mindere mate de actieve antipsychotische fractie van risperidon; bij starten of stoppen de dosering van risperidon opnieuw evalueren. De werking van levodopa en dopamine-agonisten kan worden verzwakt. Het bloeddrukverlagende
effect van antihypertensiva kan worden
versterkt. Carbamazepine of een andere induceerder van CYP3A4/P-glycoproteïne kan de actieve antipsychotische fractie van risperidon verlagen; bij
starten of staken, de dosering van risperidon evalueren. Voorzichtigheid is geboden bij gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen die het QT-interval kunnen verlengen. Bij ouderen met dementie is voorzichtigheid geboden met gelijktijdig gebruik van furosemide en dient men te letten op de hydratie. De drank is
onverenigbaar met thee.
Waarschuwingen en voorzorgen
Het gebruik kan leiden tot verminderd reactie- en
concentratievermogen. Vele dagelijkse bezigheden (bv. autorijden) kunnen daarvan
hinder ondervinden. Bij maligne antipsychoticasyndroom de behandeling staken en bij tekenen van
tardieve dyskinesie dit overwegen. Antipsychotica, waaronder risperidon, geven bij ouderen met dementie een licht vergroot risico van overlijden. Met bepaalde atypische antipsychotica was het risico op cerebrovasculaire bijwerkingen bij gebruik bij ouderen met dementie circa driemaal zo groot; ook bij risperidon was er meer kans op overlijden (3,3% vs. 1,2% met placebo); voorzichtigheid is geboden bij een risico op beroerte. Het gebruik wordt bij andere typen van dementie dan de ziekte van Alzheimer afgeraden, omdat het risico van CVA hierbij significant hoger ligt dan bij de ziekte van Alzheimer. Voorzichtigheid is geboden bij cardiovasculaire
en cerebrovasculaire aandoeningen, hypovolemie, dehydratie, (risicofactoren voor) diabetes mellitus, hyperprolactinemie, prolactine-afhankelijke tumoren, epilepsie, ziekte van
Parkinson, lewy-body-dementie, QT-verlenging in de familiaire anamnese, elektrolytstoornissen, hoge omgevingstemperatuur. Bij risicofactoren voor veneuze trombo-embolie preventieve maatregelen treffen. Tijdens behandeling controleren op gewicht en op symptomen van hyperglykemie; patiënten met diabetes mellitus regelmatig controleren op achteruitgang van de glucosewaarde. Bij hypotensie, dosisvermindering overwegen. Bij stoppen de medicatie geleidelijk afbouwen om onttrekkingssymptomen te voorkomen. Na de laatste toediening blijft de depotvorm tot zes weken in het plasma aantoonbaar. De depotvorm is niet onderzocht bij kinderen, bij ouderen met dementie en bij een slechte lever- en nierfunctie. Bij kinderen met gedragsstoornissen een regelmatige klinische controle op de endocrinologische status overwegen met inbegrip van lichaamslengte, gewicht, seksuele rijping, opvolging van menstrueel functioneren en andere mogelijke effecten van prolactine. De effecten op de groei en seksuele rijping langer dan 1 jaar zijn niet voldoende beoordeeld. Het gebruik wordt niet aanbevolen bij kinderen jonger dan 18 jaar met schizofrenie of bipolaire manie vanwege het ontbreken van gegevens over de werkzaamheid.
De dagdoseringen kunnen in een tot twee giften worden
toegediend. Bij lever- en nierinsufficiëntie langzamer titreren; onafhankelijk van de indicatie, de orale begindosis en de opvolgende doses halveren. De orodispergeerbare tablet moet op de tong worden gelegd; in enkele seconden valt die uiteen en wordt vervolgens zonder water doorgeslikt. Depot i.m. toedienen in deltaspier (1-inch naald) of bilspier (2-inch naald).
Schizofrenie: Volwassenen: oraal: begindosering: dag één: 2 mg per dag, dag twee: 4 mg per dag; vervolgens 4–6 mg per dag, doses > 10 mg
per dag zijn niet werkzamer dan lagere doses; de veiligheid van doses > 16 mg per dag is niet onderzocht. Bij overschakelen van een depotantipsychoticum naar oraal risperidon starten op het moment van de volgende geplande injectie. Depot: Indien de patiënt voldoende gestabiliseerd is op 4 mg oraal per dag of minder, kan worden omgeschakeld naar 25 mg i.m. elke 2 weken. Indien de dosering oraal hoger was, overschakelen naar een navenant hogere dosering van het depot. Gedurende de eerste 3 weken na de eerste depotinjectie is separate antipsychotische medicatie nodig om een adequaat antipsychotisch effect te waarborgen. De dosis niet vaker dan elke 4 weken aanpassen; een effect van dosisaanpassing kan niet eerder dan na 3 weken worden verwacht. Bij ouderen: oraal: begindosering: 0,5 mg 2×/dag, verder individueel aanpassen in stappen van 0,5 mg 2×/dag tot 1–2 mg/dag.
Depot: 25 mg i.m. elke 2 weken.
Ernstige agressie bij dementie: oraal: begindosering: 0,25 mg 2×/dag, verder individueel aanpassen in stappen van 0,25 mg 2×/dag om de andere dag tot 0,5–1 mg 2×/dag; optimale dosering; 0,5 mg 2×/dag, max. gedurende 6 weken.
Manie: Volwassenen: begindosering 2 mg 1×/dag, indien nodig met intervallen van 24 uur verhogen in stappen van 1 mg per dag tot de aanbevolen dosering van 1–6 mg per dag; doses > 6 mg zijn niet onderzocht. Bij ouderen: oraal: begindosering: 0,5 mg 2×/dag, verder individueel aanpassen in stappen van 0,5 mg 2×/dag tot 1–2 mg 2×/dag.
Gedragsstoornis: Kinderen en adolescenten van 5–18 jaar: > 50 kg: startdosering: 0,5 mg 1×/dag, verder individueel aanpassen in stappen van 0,5 mg 1×/dag om de andere dag tot 0,5–1,5 mg /dag; optimale dosering; 1 mg 1×/dag. <50 kg: startdosering: 0,25 mg 1×/dag, verder individueel aanpassen in stappen van 0,25 mg 1×/dag om de andere dag tot 0,25–0,75 mg 1×/dag; optimale dosering; 0,5 mg 1×/dag.
|