bijgewerkt tot 1 juli 2010
Farmacotherapeutisch Kompas
sotalol [C07AA07]
Dit middel is nog niet beoordeeld door de CFH.Sotacor [Bristol-Myers Squibb bv]
(hydrochloride)
Injectievloeistof 10 mg/ml; ampul 4 ml.
Dit middel is nog niet beoordeeld door de CFH.Sotalol Tabletten [Diverse fabrikanten]
(hydrochloride)
Tablet 40 mg, 80 mg, 160 mg.
CFH-Advies
Sotalol is voor ritmestoornissen niet beoordeeld.

Eigenschappen
Niet-selectieve hydrofiele β-blokker zonder intrinsieke sympathicomimetische activiteit; daarnaast heeft het klasse III-anti-aritmische eigenschappen. Het vermindert de invloed van adrenerge prikkels op het hart. Het hartminuutvolume en het cardiale zuurstofverbruik nemen af. Tevens wordt de AV-geleiding vertraagd en treedt een antihypertensief effect op. Verder wordt de plasmarenine-activiteit onderdrukt. De effectieve refractaire periode in atrium, ventrikel en accessoire banen wordt verlengd, waardoor QTc-(QT-interval gecorrigeerd voor de hartfrequentie) en PR-interval zijn verlengd, zonder verandering van QRS-duur.

Kinetische gegevens
Resorptie: door voedsel ca. 20% lager . F = oraal vrijwel volledig. Tmax = 2½–4 uur. Metabolisering: nauwelijks. Eliminatie: via de nieren 80–90% onveranderd, de rest via de lever. T1/2el = 10–20 uur.

Indicaties
Levensbedreigende ventriculaire tachycardie. Symptomatische niet-aanhoudende ventriculaire tachyaritmieën. Profylaxe van supraventriculaire tachycardieën. Handhaven van normaal sinusritme na conversie van boezemfibrilleren of -fladderen.
I.v. toediening is bestemd voor acute ventriculaire aritmieën; testen van werkzaamheid gedurende geprogrammeerde elektrische stimulatie bij induceerbare ventriculaire en supraventriculaire tachyaritmieën; als orale toediening tijdelijk niet mogelijk is.

Contra-indicaties
Sick-sinussyndroom, tweede- en derdegraads AV-blok, hypotensie, cardiogene shock, klinisch relevante sinusbradycardie. Astma en andere obstructieve longaandoeningen. Rechterventrikelinsufficiëntie ten gevolge van pulmonale hypertensie. Anesthesie die myocardiale depressie veroorzaakt. Ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 10 ml/min.). Onbehandeld hartfalen. Congenitale of verworven verlengde QT-syndromen; 'torsade de pointes'. Voorzichtigheid is geboden bij eerstegraads AV-blok, metabole acidose, langdurig vasten, myasthenia gravis, variant of Prinzmetal angina pectoris en perifere circulatiestoornissen (M Raynaud).

Zwangerschap/Lactatie
Over het gebruik van deze stof tijdens zwangerschap bij de mens bestaan onvoldoende gegevens om de mogelijke schadelijkheid te beoordelen. Er zijn tot dusver geen aanwijzingen voor schadelijkheid bij dierproeven. Op grond van de farmacologische werkzaamheid (contractie van de uterus, verminderde uterus- en placentadoorbloeding en remming van foetale autonome reflexen) is schadelijkheid bij gebruik tijdens zwangerschap denkbaar. Bij gebruik tijdens zwangerschap en partus kunnen ongewenste bijwerkingen (m.n. bradycardie) bij foetus en neonaat optreden.
Sotalol gaat over in de moedermelk. Tijdens gebruik geen borstvoeding geven.

Bijwerkingen
Aan de farmacologische werkzaamheid van β-blokkers inherente bijwerkingen kunnen zijn: bronchospasmen, bradycardie, hypotensie en duizeligheid, hartfalen en koude, cyanotische extremiteiten. Andere bijwerkingen van β-blokkers kunnen zijn: maag-darmklachten, vermoeidheid, impotentie, verminderd concentratie- en reactievermogen en hoofdpijn. Klachten over droge ogen zijn in verband gebracht met gebruik van β-blokkers. Pro-aritmische effecten zoals verslechtering of uitlokking van aritmieën. Door verlenging van de QTc kan 'torsade de pointes' (ventriculaire aritmie) optreden. Incidentele gevallen van retroperitoneale fibrose zijn gemeld.

Interacties
Er dient rekening mee te worden gehouden dat inhalatie-anaesthetica het negatief-inotroop effect van β-blokkers kunnen versterken. β-Blokkers en andere negatief-chronotrope en -dromotrope stoffen (bv. anti-arrhythmica) kunnen elkaars effect versterken. Vanwege het potentiërend effect op de AV-geleidingstijd en het QT-interval dienen klasse I- en andere klasse III-anti-arrhythmica niet te worden toegediend. Voorzichtigheid is geboden met middelen die het QT-interval verlengen, zoals onder andere terfenadine, fenothiazinen, tricyclische antidepressiva en enkele chinolonen. Combinatie met calciumantagonisten die voornamelijk een negatief-inotroop, -chronotroop en -dromotroop effect uitoefenen (zoals verapamil en in mindere mate diltiazem) moet wegens het risico van hypotensie, AV-geleidingsstoornissen en insufficiëntie van de linkerventrikel – vooral bij gestoorde hartfunctie – worden vermeden. Digoxine en β-blokkers vertragen de AV-geleiding, zodat bij gelijktijdig gebruik AV-dissociatie kan optreden. Prostaglandinesynthetaseremmers kunnen het bloeddrukverlagend effect verminderen. Het risico van rebound-hypertensie bij staken van clonidinetoediening kan worden vergroot; daarom eerst de β-blokker stoppen. β-Blokkers kunnen door ergotaminegebruik veroorzaakte doorbloedingsstoornissen in de extremiteiten versterken. Niet-selectieve β-blokkers versterken de α-pressorreactie van epinefrine met hypertensie en bradycardie, omdat het β-effect van epinefrine wordt geremd.

Waarschuwingen en voorzorgen
Voor het begin van de behandeling en vóór verandering van de dosering wordt ecg-controle met meting van het gecorrigeerde QT-interval, bepaling van de nierfunctie en elektrolytbalans aanbevolen. Eventuele hypokaliëmie of hypomagnesiëmie eerst corrigeren. Klinische instelling is nodig bij aanhoudende ventriculaire tachyaritmieën en bij dosisverhoging. Bij ritmestoornissen bij voorkeur toedienen onder ecg-controle op geleide van QT-interval, de dosering verminderen indien QT-interval 0,55 sec. overschrijdt. De kans op ernstige pro-aritmie ('torsade de pointes' of hernieuwd aanhoudend VT/VF) is bij doses tot 320 mg 2%; bij hogere doses is die kans meer dan verdubbeld. De ervaring is dat het risico van 'torsade de pointes' toeneemt bij verlengd QT-interval, verlaagde hartfrequentie, hoge sotalolplasmaconcentratie, cardiomegalie of hartfalen in de anamnese, hypokaliëmie of hypomagnesiëmie. Ernstig langdurig braken en gebruik van diuretica kunnen dit risico vergroten. Vrouwen hebben een groter risico van 'torsade de pointes'. Voorzichtigheid is geboden bij een QTc-interval > 500 msec. Bij een QTc-interval > 550 msec de dosering verlagen of de behandeling staken. Bij linkerventrikeldisfunctie beginnen met een lagere dosering en deze voorzichtig verhogen. Bij een linkerventrikelejectiefractie ≤ 40% zonder ernstige ventriculaire aritmieën het gebruik vermijden. Instelling op orale therapie dient onder controle van de polsslag te geschieden (bv. eenmaal per week gedurende 3–4 weken). Indien de hartfrequentie afneemt tot 50–55 slagen/min. dient de dosering te worden verlaagd. Bij 'ernstiger' bradycardie (minder dan 50 slagen/min.) de toediening staken. Beëindiging – ook tijdelijk – van een behandeling met β-blokkers dient, zo mogelijk, geleidelijk plaats te vinden gedurende 1–2 weken. Plotseling staken kan leiden tot ernstige aritmieën of verergering van angina pectoris en zelfs tot ontwikkeling van hypertensie. β-Blokkers kunnen de adrenerge symptomen van hyperthyroïdie en van hypoglykemie maskeren, terwijl herstel van de glucosespiegel na hypoglykemie kan worden vertraagd, vooral door de niet-selectieve β-blokkers. Bij continuering van toediening van een β-blokker tijdens algemene anesthesie dient men rekening te houden met een veranderde hemodynamische respons op stress. Voorzichtigheid is geboden bij ernstige overgevoeligheidsreacties in de anamnese en tijdens desensibilisatietherapie, omdat met name niet-selectieve β-blokkers de gevoeligheid voor allergenen en de ernst van anafylactoïde reacties kunnen doen toenemen. Bij een voorgeschiedenis van psoriasis is terughoudendheid met β-blokkers geboden. Bij nierfunctiestoornissen dient de dosering te worden verlaagd op geleide van de creatinineklaring. De veiligheid en werkzaamheid is bij personen onder 18 jaar niet onderzocht. Bij gebruik van de fotometrische bepaling van metanefrine in de urine kan de uitkomst verstoord zijn. Voor screening van urine bij verdenking op feochromocytoom dient een HPLC-bepaling met 'solid phase' extractie te worden gebruikt.

Overdosering
Symptomen: bradycardie, hypotensie, verlenging van QTc-interval in het ecg, ventriculaire tachyaritmieën, bronchospasmen, acute hartinsufficiëntie en shock. Bij verdenking van een intoxicatie dient een ecg te worden gemaakt.
Therapie: Bij ernstige bradycardie: i.v. atropine, zo nodig gevolgd door isoprenaline; in refractaire gevallen een pacemaker inbrengen. Hypotensie en shock behandelen met plasma of plasmavervangingsmiddelen. β-Blokkade kan worden tegengegaan door i.v. isoprenaline of dobutamine; in refractaire gevallen kan isoprenaline met dopamine worden gecombineerd. Bij onvoldoende resultaat i.v. glucagon overwegen, dat buiten de bezette β-receptor om, door verhoging van de concentratie cAMP, de contractiliteit van het myocard kan verhogen. Correctie van het serumcalcium dient te worden overwogen.

Dosering
Aritmieën: Oraal: begindosering 80 mg eenmaal per dag of verdeeld over 2 giften met een interval van 12 uur, vervolgens met intervallen van 3 dagen geleidelijk verhogen om 'steady-state'-spiegels te krijgen en om het QT-interval te controleren tot 160–320 mg per dag verdeeld over 2 giften met een interval van 12 uur. Bij een levensbedreigende refractaire ventriculaire aritmie kan tot 480–640 met per dag nodig zijn; bij deze hoge dosering moet het nut echter opwegen tegen de pro-aritmische bijwerkingen. Profylaxe supraventriculaire tachycardieën: Oraal: 320 mg per dag verdeeld over 2 giften met een interval van 12 uur. Profylaxe na hartchirurgie: Streefdosis 240 mg per dag in 2 giften.
Als substitutie van orale toediening: Parenteraal 0,2–0,5 mg/kg lichaamsgewicht per uur i.v. met max. totale dagdosis van 640 mg.
Tabletten een half uur vóór de maaltijd innemen.
Acute aritmieën: I.v. onder ecg-bewaking: 20–120 mg (0,5–1,5 mg/kg), toegediend gedurende een periode van 10 minuten; indien nodig iedere 6 uur herhalen.
Bij geprogrammeerde elektrische stimulatie: begindosis 1,5 mg/kg gedurende 10–12 min.; vervolgens onderhoudsinfuus 0,2–0,5 mg/kg per uur.
Bij nierinsufficiëntie: creatinineklaring: 30–60 ml/min.: ½ normale dosering; 10–30 ml/min.: ¼ normale dosering.

verklaring van de symbolen
Aan de aanspraak op dit middel zijn voorwaarden gesteld, zie bijlage 2 horende bij de Regeling zorgverzekering.
Dit middel is niet opgenomen in het geneesmiddelenvergoedingssysteem.
Dit middel is nog niet beoordeeld door de CFH.
Zelfzorgmiddel ('over the counter').
'New chemical entity' - nieuwe chemische stof.