CFH-Advies
Sotalol is voor
ritmestoornissen niet beoordeeld.
Niet-selectieve hydrofiele β-blokker zonder intrinsieke
sympathicomimetische activiteit; daarnaast heeft het klasse III-anti-aritmische
eigenschappen. Het vermindert de invloed van adrenerge prikkels op het hart.
Het hartminuutvolume en het cardiale zuurstofverbruik nemen af. Tevens wordt de
AV-geleiding vertraagd en treedt een antihypertensief effect op. Verder wordt
de plasmarenine-activiteit onderdrukt. De effectieve refractaire periode in
atrium, ventrikel en accessoire banen wordt verlengd, waardoor
QTc-(QT-interval gecorrigeerd voor de hartfrequentie) en PR-interval
zijn verlengd, zonder verandering van QRS-duur.
Kinetische gegevens Resorptie: door voedsel ca. 20% lager . F = oraal vrijwel volledig. Tmax = 2½–4 uur. Metabolisering: nauwelijks. Eliminatie: via de nieren 80–90% onveranderd, de rest via de
lever. T1/2el = 10–20 uur.
Levensbedreigende ventriculaire tachycardie. Symptomatische
niet-aanhoudende ventriculaire tachyaritmieën. Profylaxe van supraventriculaire
tachycardieën. Handhaven van normaal sinusritme na conversie van
boezemfibrilleren of -fladderen. I.v. toediening is bestemd voor acute
ventriculaire aritmieën; testen van werkzaamheid gedurende geprogrammeerde
elektrische stimulatie bij induceerbare ventriculaire en supraventriculaire
tachyaritmieën; als orale toediening tijdelijk niet mogelijk is.
Sick-sinussyndroom, tweede- en derdegraads AV-blok,
hypotensie, cardiogene shock, klinisch relevante sinusbradycardie. Astma en
andere obstructieve longaandoeningen. Rechterventrikelinsufficiëntie ten
gevolge van pulmonale hypertensie. Anesthesie die myocardiale depressie
veroorzaakt. Ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 10 ml/min.).
Onbehandeld hartfalen. Congenitale of verworven verlengde QT-syndromen;
'torsade de pointes'. Voorzichtigheid is geboden bij eerstegraads AV-blok,
metabole acidose, langdurig vasten, myasthenia gravis, variant of Prinzmetal
angina pectoris en perifere circulatiestoornissen (M Raynaud).
Over het gebruik van deze stof
tijdens zwangerschap bij de mens bestaan onvoldoende gegevens om de mogelijke
schadelijkheid te beoordelen. Er zijn tot dusver geen aanwijzingen voor
schadelijkheid bij dierproeven. Op grond van de farmacologische werkzaamheid
(contractie van de uterus, verminderde uterus- en placentadoorbloeding en
remming van foetale autonome reflexen) is schadelijkheid bij gebruik tijdens
zwangerschap denkbaar. Bij gebruik tijdens zwangerschap en partus kunnen
ongewenste bijwerkingen (m.n. bradycardie) bij foetus en neonaat optreden.
Sotalol gaat over in de moedermelk.
Tijdens gebruik geen borstvoeding geven.
Aan de farmacologische werkzaamheid van β-blokkers
inherente bijwerkingen kunnen zijn: bronchospasmen, bradycardie, hypotensie en
duizeligheid, hartfalen en koude, cyanotische extremiteiten. Andere
bijwerkingen van β-blokkers kunnen zijn: maag-darmklachten, vermoeidheid,
impotentie, verminderd concentratie- en reactievermogen en hoofdpijn. Klachten
over droge ogen zijn in verband gebracht met gebruik van β-blokkers.
Pro-aritmische effecten zoals verslechtering of uitlokking van aritmieën. Door
verlenging van de QTc kan 'torsade de pointes' (ventriculaire aritmie)
optreden. Incidentele gevallen van retroperitoneale fibrose zijn gemeld.
Er dient rekening mee te worden gehouden dat
inhalatie-anaesthetica het negatief-inotroop effect van β-blokkers kunnen
versterken. β-Blokkers en andere negatief-chronotrope en -dromotrope stoffen
(bv. anti-arrhythmica) kunnen elkaars effect versterken. Vanwege het
potentiërend effect op de AV-geleidingstijd en het QT-interval dienen klasse I-
en andere klasse III-anti-arrhythmica niet te worden toegediend.
Voorzichtigheid is geboden met middelen die het QT-interval verlengen, zoals
onder andere terfenadine, fenothiazinen, tricyclische antidepressiva en enkele chinolonen.
Combinatie met calciumantagonisten die voornamelijk een negatief-inotroop,
-chronotroop en -dromotroop effect uitoefenen (zoals verapamil en in mindere
mate diltiazem) moet wegens het risico van hypotensie, AV-geleidingsstoornissen
en insufficiëntie van de linkerventrikel – vooral bij gestoorde hartfunctie –
worden vermeden. Digoxine en β-blokkers
vertragen de AV-geleiding, zodat bij gelijktijdig gebruik AV-dissociatie kan
optreden. Prostaglandinesynthetaseremmers kunnen het bloeddrukverlagend effect
verminderen. Het risico van rebound-hypertensie bij staken van
clonidinetoediening kan worden vergroot; daarom eerst de β-blokker stoppen.
β-Blokkers kunnen door ergotaminegebruik veroorzaakte doorbloedingsstoornissen
in de extremiteiten versterken. Niet-selectieve β-blokkers versterken de
α-pressorreactie van epinefrine met hypertensie en bradycardie, omdat het
β-effect van epinefrine wordt geremd.
Waarschuwingen en voorzorgen
Voor het begin van de behandeling en vóór verandering
van de dosering wordt ecg-controle met meting van het gecorrigeerde
QT-interval, bepaling van de nierfunctie en elektrolytbalans aanbevolen.
Eventuele hypokaliëmie of hypomagnesiëmie eerst corrigeren. Klinische
instelling is nodig bij aanhoudende ventriculaire tachyaritmieën en bij
dosisverhoging. Bij ritmestoornissen bij voorkeur toedienen onder ecg-controle
op geleide van QT-interval, de dosering verminderen indien QT-interval 0,55
sec. overschrijdt. De kans op ernstige pro-aritmie ('torsade de pointes' of
hernieuwd aanhoudend VT/VF) is bij doses tot 320 mg 2%; bij hogere doses is die kans meer dan verdubbeld. De ervaring is dat het risico van 'torsade de
pointes' toeneemt bij verlengd QT-interval, verlaagde hartfrequentie, hoge
sotalolplasmaconcentratie, cardiomegalie of hartfalen in de anamnese,
hypokaliëmie of hypomagnesiëmie. Ernstig langdurig braken en gebruik van
diuretica kunnen dit risico vergroten. Vrouwen hebben een groter risico van
'torsade de pointes'. Voorzichtigheid is geboden bij een QTc-interval > 500
msec. Bij een QTc-interval > 550 msec de dosering verlagen of de behandeling
staken. Bij linkerventrikeldisfunctie beginnen met een lagere dosering en deze
voorzichtig verhogen. Bij een linkerventrikelejectiefractie ≤ 40% zonder
ernstige ventriculaire aritmieën het gebruik vermijden. Instelling op orale
therapie dient onder controle van de polsslag te geschieden (bv. eenmaal per
week gedurende 3–4 weken). Indien de hartfrequentie afneemt tot 50–55
slagen/min. dient de dosering te worden verlaagd. Bij 'ernstiger' bradycardie
(minder dan 50 slagen/min.) de toediening staken. Beëindiging – ook tijdelijk –
van een behandeling met β-blokkers dient, zo mogelijk, geleidelijk plaats te
vinden gedurende 1–2 weken. Plotseling staken kan leiden tot ernstige aritmieën
of verergering van angina pectoris en zelfs tot ontwikkeling van hypertensie.
β-Blokkers kunnen de adrenerge symptomen van hyperthyroïdie en van
hypoglykemie maskeren, terwijl herstel van de glucosespiegel na hypoglykemie
kan worden vertraagd, vooral door de niet-selectieve β-blokkers. Bij continuering
van toediening van een β-blokker tijdens algemene anesthesie dient men rekening
te houden met een veranderde hemodynamische respons op stress. Voorzichtigheid
is geboden bij ernstige overgevoeligheidsreacties in de anamnese en tijdens
desensibilisatietherapie, omdat met name niet-selectieve β-blokkers de gevoeligheid
voor allergenen en de ernst van anafylactoïde reacties kunnen doen toenemen.
Bij een voorgeschiedenis van psoriasis is terughoudendheid met β-blokkers
geboden. Bij nierfunctiestoornissen dient de dosering te worden verlaagd op
geleide van de creatinineklaring. De veiligheid en werkzaamheid is bij personen
onder 18 jaar niet onderzocht. Bij gebruik van de fotometrische bepaling van metanefrine in de urine kan de uitkomst verstoord zijn. Voor
screening van urine bij verdenking op feochromocytoom dient een HPLC-bepaling
met 'solid phase' extractie te worden gebruikt.
Symptomen: bradycardie, hypotensie, verlenging van QTc-interval in het ecg,
ventriculaire tachyaritmieën, bronchospasmen, acute hartinsufficiëntie en
shock. Bij verdenking van een intoxicatie dient een ecg te worden
gemaakt.
Therapie: Bij ernstige bradycardie: i.v. atropine, zo nodig gevolgd door
isoprenaline; in refractaire gevallen een pacemaker inbrengen. Hypotensie en
shock behandelen met plasma of plasmavervangingsmiddelen. β-Blokkade kan worden
tegengegaan door i.v. isoprenaline of dobutamine; in refractaire gevallen kan
isoprenaline met dopamine worden gecombineerd. Bij onvoldoende resultaat i.v.
glucagon overwegen, dat buiten de bezette β-receptor om, door verhoging van de
concentratie cAMP, de contractiliteit van het myocard kan verhogen. Correctie
van het serumcalcium dient te worden overwogen.
Aritmieën: Oraal: begindosering 80 mg eenmaal per dag
of verdeeld over 2 giften met een interval van 12 uur, vervolgens met
intervallen van 3 dagen geleidelijk verhogen om 'steady-state'-spiegels te
krijgen en om het QT-interval te controleren tot 160–320 mg per dag verdeeld
over 2 giften met een interval van 12
uur. Bij een levensbedreigende refractaire ventriculaire aritmie kan tot 480–640 met per dag
nodig zijn; bij deze hoge dosering moet het nut echter opwegen tegen de
pro-aritmische bijwerkingen. Profylaxe supraventriculaire tachycardieën: Oraal:
320 mg per dag verdeeld over 2 giften met een interval van 12
uur. Profylaxe na hartchirurgie: Streefdosis 240 mg per dag in 2
giften.
Als substitutie van orale toediening: Parenteraal
0,2–0,5 mg/kg lichaamsgewicht per uur i.v. met max. totale dagdosis van 640 mg.
Tabletten een half uur vóór de maaltijd innemen.
Acute aritmieën: I.v. onder ecg-bewaking: 20–120 mg (0,5–1,5
mg/kg), toegediend gedurende een periode van 10 minuten; indien nodig iedere 6
uur herhalen.
Bij geprogrammeerde elektrische stimulatie: begindosis 1,5 mg/kg
gedurende 10–12 min.; vervolgens onderhoudsinfuus 0,2–0,5 mg/kg per
uur.
Bij nierinsufficiëntie: creatinineklaring: 30–60 ml/min.: ½
normale dosering; 10–30 ml/min.: ¼ normale dosering.
|