| |
| Referentiewaarden klinische chemie |
 |
 |
|
|
 |
 |
Binnen de referentiewaarden vallen 95% van de analyseresultaten, verkregen bij onderzoek van de gekozen, gezonde bevolkingsgroep. Meestal zijn dit (jonge) volwassenen. Dat wil zeggen, dat 2,5% van de gezonde personen (1 op 40) een lagere, en 2,5% van de personen (ook 1 op 40) een hogere uitslag heeft, al zal zo'n ’afwijkende’ uitslag meestal niet ver buiten de referentiewaarden liggen. Voor de statistische achtergronden van de referentiewaarden wordt verwezen naar de specialistische literatuur. Referentiewaarden zijn vaak afhankelijk van de leeftijd en het geslacht van de personen in de onderzochte groep. Soms is de leeftijd-afhankelijkheid marginaal, maar in veel gevallen is ze substantieel. Met name neonaten, maar ook ouderen, kunnen als groep andere referentiewaarden laten zien dan jonge volwassenen. Bij neonaten kan men als uitgangspunt nemen, dat alle referentiewaarden afwijkend zijn, waarbij de mate van prematuriteit nog additioneel van invloed is. Bij ouderen is soms lastig vast te stellen wie wel en wie niet als gezond mag worden aangemerkt. De leeftijdsafhankelijkheid is nog niet voor alle componenten grondig in kaart gebracht. Tijdens de zwangerschap treden ook aanzienlijke veranderingen op, zodat voor een aantal bepalingen referentiewaarden afhankelijk van de zwangerschapsduur moeten worden gehanteerd.
De invloed van staan of liggen, maaltijden en geneesmiddelgebruik moet zo nodig ook in de beoordeling worden betrokken. Raadpleeg bij twijfel het eigen klinisch-chemisch laboratorium. Referentiewaarden zijn in een aantal gevallen ook afhankelijk van de gebruikte analysemethode. Het bekendste voorbeeld zijn de enzymbepalingen in bloed. Deze activiteitsmetingen zijn o.a. afhankelijk van temperatuur en reagenssamenstelling. Veel laboratoria hebben dus eigen referentiewaarden. Onderstaande lijst is niet meer dan een indicatie, omdat referentiewaarden afhankelijk zijn van de hiervoor geschetste factoren. Men raadplege dus altijd de voor het eigen laboratorium geldende referentiewaarden. Voorts zij gewezen op het Handboek Medische Laboratoriumdiagnostiek (Pekelharing J.M., Souverijn, J.H.M., Hooijkaas, H., Punt, J., Smeets, L.C., red.). Utrecht Prelum Uitgevers, 2009, en op www.klinischediagnostiek.nl.
Dr. J.M. Pekelharing Prof. Dr. M.A. Blankenstein Dr. P.M.M. van Haard
Tabel 1: Verklaring van enige symbolen
k = kilo = 103 m = milli = 10-3 μ = micro = 10-6
n = nano = 10-9
p = pico = 10-12
f = femto = 10-15
a = atto = 10-18
|
s = sec
h = uur
d = dag = 24 uur
|
Tabel 2: Referentiewaarden
Bestanddeel
|
Bijzonderheid
|
Referentiewaarde en eenheid
|
ACE
|
sterk methode-afhankelijk
|
indicatie: 7-20 U/l
|
Acetoacetaat
|
volbloed
|
< 0,1 mmol/l
|
ACTH
|
ochtend, nuchter, mannen
|
1-76 ng/l
|
idem, vrouwen
|
1-73 ng/l
|
na metopiron (metyrapone)
|
> 90 ng/l
|
AFP
|
|
0-20 μg/l
|
Alanine-aminotransferase (ALAT)
|
referentiemethode 37°C, mannen
|
< 50 U/l
|
idem, vrouwen
|
< 40 U/l
|
Albumine, serum
|
volwassenen
|
35-55 g/l
|
liggend (na 30 minuten)
|
29-49 g/l
|
zwangerschap, 2e, 3e trimester
|
verlaagd
|
> 70 jaar
|
ca. 20% verlaging
|
Albumine, urine
|
excretiesnelheid
|
< 20 μg/minuut < 30 mg/24 uur
< 20 mg/l
|
mannen
|
< 2,5 mg/mmol creatinine
|
vrouwen
|
< 3,5 mg/mmol creatinine
|
Alcohol, bloed
|
|
< 2 mmol/l
|
Alcohol, urine
|
|
< 2 mmol/l
|
Aldolase
|
volwassenen
|
< 5,5 U/l (30°C)
|
pasgeborenen
|
< 22 U/l
|
tot 20 jaar
|
< 11 U/l
|
Aldosteron, plasma
|
08.00 - 10.00 uur; in rust (liggend)
|
30-150 pmol/l
|
3 uur na opstaan
|
190-820 pmol/l
|
na zoutrijk dieet, > 200 nmol/24 uur
|
< 240 pmol/l
|
Aldosteron, urine
|
normaal zout in dieet
|
< 55 nmol/24 uur
|
α1-antitrypsine, plasma
|
PiMM
|
0,9-2,0 g/l
|
α1-antitrypsine, feces
|
vers
|
< 0,4 mg/g
|
droog
|
< 1,6 mg/g
|
Alkalische fosfatase
|
volwassenen
|
< 125 U/l
|
< 12 jaar
|
< 350 U/l
|
zwangeren
|
< 200 U/l
|
Aminozuren
|
zie tabel bij testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
|
Ammonium, plasma
|
enzymatische GLDH methode:
|
|
volwassenen
|
10-45 μmol/l
|
< 14 jaar
|
24-48 μmol/l
|
neonaten
|
30-160 μmol/l
|
prematuren
|
< 200 μmol/l
|
Amylase
|
sterk methode-afhankelijk
|
|
Amylase iso-enzymen
|
afhankelijk van techniek
|
P-fractie: 50-60%
S-fractie: 40-50%
|
ANA
|
|
niet aantoonbaar
|
ANCA
|
|
niet aantoonbaar
|
Anion Gap [(Na+-(Cl–+ HCO3–)]
|
|
8-16 mmol/l
|
Antidiuretisch hormoon (ADH), bloed
|
|
2-7 ng/l
|
Antifactor Xa (LMW hep)
|
6 uur na toediening LMWH
|
0,1-0,2 U/ml
|
Antiglobulinetesten
|
direct of indirect
|
negatief
|
Antistoffen
|
|
zie Klinische Diagnostiek
|
Antitrombine (ATIII)
|
activiteit
|
80-120% van poolplasma
178-280 mg/l
|
pasgeborenen
|
ca. 50% van referentiewaarde
|
antigeen
|
0,14-0,39 g/l
|
AP50/CH50
|
activiteit
|
70-130% van poolplasma
|
APC-resistentieratio
|
|
< 2,0
|
Apolipoproteïne A1
|
|
0,7-2,0 g/l
|
Apolipoproteïne B100
|
|
0,5-1,5 g/l
|
APTT
|
methode-afhankelijk
|
30-40 seconden
|
gezonde kinderen
|
langere waarden
|
Aspartaataminotransferase (ASAT)
|
IFCC-methode 37°C
|
< 45 U/l
|
kinderen < 1 maand
|
< 150 U/l
|
kinderen < 2 jaar
|
< 80 U/l
|
Bence-Jones-eiwit, urine
|
|
niet aantoonbaar
|
β2-microglobuline, serum
|
volwassenen
|
0,6-2,2 mg/l
|
> 60 jaar
|
< 3,0 mg/l
|
kinderen
|
0,1-1,9 mg/l
|
β2-microglobuline, urine
|
|
< 0,4 mg/l
|
β2-microglobuline, liquor
|
|
< 2,2 mg/l
|
Bezinking
|
neonaat
|
0-2 mm/uur
|
< 10 jaar
|
3-13 mm/uur
|
vrouwen ≤ 50 jaar
|
< 20 mm/uur
|
vrouwen > 50 jaar
|
< 30 mm/uur
|
zwangeren, 3e trimester
|
< 30 mm/uur
|
mannen ≤ 50 jaar
|
< 15 mm/uur
|
mannen > 50 jaar
|
< 20 mm/uur
|
Bilirubine, bloed, totaal
|
> 1 maand
|
< 17 μmol/l
|
à terme geborenen, tot 24 uur
|
< 100 μmol/l
|
idem tot 48 uur
|
< 140 μmol/l
|
idem tot 3-5 dagen
|
< 200 μmol/l
|
prematuur geborenen, tot 24 uur
|
< 140 μmol/l
|
idem tot 48 uur
|
< 200 μmol/l
|
idem tot 3-5 dagen
|
< 275 μmol/l
|
Bilirubine, geconjugeerd
|
> 1 maand
|
< 5 μmol/l
|
Bloedgassen
|
pH
|
7,35-7,45
|
pCO2
|
4,7-6,4 kPa (35-48 mm Hg)
|
pO2
|
10,0-13,3 kPa (75-100 mm Hg)
|
actuele cHCO3-
|
22-29 mmol/l
|
standaard cHCO3-
|
21-27 mmol/l
|
Base Excess
|
-3 tot +3 mmol/l
|
sO2
|
0,95-0,98 mol/mol
|
Bloedingstijd
|
Duke-methode
|
1-4 minuten
|
Ivy-methode
|
1-4 minuten
|
Mielke-methode
|
2-9 minuten
|
CA 15.3
|
met 115D8- en DF3-antilichamen
|
< 30 kU/l
|
zwangerschap 3e trimester
|
< 100 kU/l
|
CA 19.9
|
|
< 37 kU/l; zie testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
CA 125
|
|
< 35 kU/l
|
na hysterectomie en menopauzaal
|
< 30 kU/l
|
Calcitonine, bloed
|
|
< 25 pmol/l
|
na stimulatie, mannen
|
< 300 pmol/l
|
idem, vrouwen
|
< 100 pmol/l
|
Calcium, serum, totaal
|
volwassenen
|
2,10-2,55 mmol/l
|
< 20 jaar
|
2,14-2,64 mmol/l
|
Calcium, geïoniseerd
|
capillair
|
1,20-1,30 mmol/l
|
veneus
|
1,24-1,34 mmol/l
|
Calcium, urine
|
80 percentiel
|
< 8 mmol/24 uur
|
Cannabinoïden
|
methode-afhankelijk
|
< 50 μg/l
|
Caroteen
|
|
0,3-1,1 μmol/l
|
Catecholaminen en metabolieten in urine
|
|
zie individuele verbindingen in testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
CD4
|
|
0,56-1,49 × 109/l
|
CD8
|
|
0,26-0,99 × 109/l
|
CD4/CD8-ratio
|
|
1,08-3,99
|
CEA
|
niet-rokers
|
< 2,5-5,0 μg/l, methode-afhankelijk
|
rokers
|
< 5-10 μg/l, methode-afhankelijk
|
Cellen in liquor
|
erytrocyten
|
0/μl
|
leukocyten
|
< 5/μl (15/3μl)
|
Ceruloplasmine
|
mannen
|
0,22-0,40 g/l
|
vrouwen
|
0,25-0,60 g/l
|
pasgeborenen
|
0,02-0,13 g/l
|
½ - 3 jaar
|
0,31-0,91 g/l
|
> 3 jaar
|
0,25-0,50 g/l
|
Citraat, urine
|
|
1,0-3,5 mmol/24 uur
|
Chloride, serum
|
veneus
|
96-107 mmol/l
|
anion gap (Na+-(Cl–+ HCO3–)
|
8-16 mmol/l
|
Chloride, zweet
|
|
< 50 mmol/l
|
Cholesterol, totaal
|
leeftijds- en geslachtsafhankelijk
|
zie tabel testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
Cholinesterase
|
methode-afhankelijk
|
|
Circulerende Immuun Complexen
|
methode-afhankelijk
|
raadpleeg eigen laboratorium
|
Colloïdosmotische druk (COD)
|
vanaf 6 maanden
|
22-26 mm Hg
|
idem liggend
|
19-23 mm Hg
|
Complementfactor C3
|
raadpleeg eigen laboratorium
|
0,90-1,80 g/l
|
neonaten
|
0,63-1,26 g/l
|
zwangeren
|
0,99-1,98 g/l
|
Complementfactor C3d
|
raadpleeg eigen laboratorium
|
methode-afhankelijk
|
Complementfactor C4
|
raadpleeg eigen laboratorium
|
0,15-0,45 g/l
|
pasgeborenen
|
10% lager
|
> 50 jaar
|
10% hoger
|
Coombstest
|
|
negatief
|
Cortisol, plasma
|
08.00 uur
|
150-700 nmol/l
|
17.00 uur
|
100-400 nmol/l
|
23.00 uur
|
< 210 nmol/l
|
na dexamethason
|
< 140 nmol/l
|
Cortisol, urine
|
met HPLC
|
< 145 nmol/24 uur
|
met immunoassays
|
< 300 nmol/24 uur
|
C-peptide
|
nuchter
|
0,26-0,62 nmol/l
|
na glucagonstimulatie
|
0,90-1,85 nmol/l
|
C-reactive protein (CRP)
|
|
< 10 mg/l
|
< 4 dagen
|
15 mg/l
|
Creatinekinase (CK)
|
mannen
|
< 200 U/l
|
vrouwen
|
< 170 U/l
|
neonaten
|
tot 3× volwassen waarden
|
eerste levensjaar
|
iets verhoogd
|
CK-MB
|
activiteitsmeting
|
< 5% van totaal CK
|
massameting
|
< 5 ng/ml
|
Creatinine, bloed
|
Jaffé-reactie (kinetisch), mannen
|
80-125 μmol/l
|
Jaffé-reactie (kinetisch), vrouwen
|
70-100 μmol/l
|
enzymatisch, mannen
|
45-100 μmol/l
|
enzymatisch, vrouwen
|
45-80 μmol/l
|
zwangeren
|
lager t.g.v. hemodilutie
|
< 2 dagen
|
70-140 μmol/l
|
1 week tot 1 maand
|
30-80 μmol/l
|
1 maand tot 1 jaar
|
25-70 μmol/l
|
1-3 jaar
|
25-50 μmol/l
|
kleuters
|
40-70 μmol/l
|
kinderen
|
50-90 μmol/l
|
Creatinine, urine
|
zie ook bij testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
10-42 mmol/24 uur
|
Creatinineklaring
|
volwassenen
|
60-125 ml/min
|
Cryoglobulinen
|
|
afwezig (< 60 mg/l)
|
D-dimeer
|
methode-afhankelijk
|
|
Dehydro-epiandrosteronsulfaat (DHEAS)
|
mannen
|
|
Tanner II-III
|
1,6-13,7 μmol/l
|
Tanner IV-V
|
4,5-13,6 μmol/l
|
18-30 jaar
|
3,4-16,8 μmol/l
|
31-50 jaar
|
1,6-12,3 μmol/l
|
51-60 jaar
|
0,5-11,2 μmol/l
|
61-83 jaar
|
0,3-7,7 μmol/l
|
vrouwen
|
|
Tanner II-III
|
0,5-14,5 μmol/l
|
Tanner IV-V
|
2,0-14,4 μmol/l
|
18-30 jaar
|
1,2-10,3 μmol/l
|
31-50 jaar
|
0,3-10,3 μmol/l
|
51-60 jaar
|
< 6,6 μmol/l
|
61-83 jaar
|
< 3,1 μmol/l
|
δ4-Androsteendion (A’dion)
|
mannen
|
1-13 nmol/l
|
vrouwen
|
1-10 nmol/l
|
Differentiële telling bloedcellen
|
neutrofiele granulocyten
|
2,00-7,20 × 109/l
|
eosinofiele granulocyten
|
0,05-0,50 × 109/l
|
basofiele granulocyten
|
0,00-0,10 × 109/l
|
lymfocyten
|
1,00-4,00 × 109/l
|
monocyten
|
0,15-0,90 × 109/l
|
3,4-dihydroxy-fenylazijnzuur (DOPAC)
|
|
0,4-1,2 mmol/mol creatinine
|
Dopamine (vrij DA)
|
urine
|
< 300 μmol/mol creatinine
|
Eiwit, lumbale liquor
|
neonaten
|
150-1400 mg/l
|
tot 10 jaar
|
150-300 mg/l
|
volwassenen
|
150-500 mg/l
|
Eiwit, ventriculaire liquor
|
|
50-150 mg/l
|
Eiwit, cisternale liquor
|
|
150-250 mg/l
|
Eiwit totaal, serum
|
zie Klinische Diagnostiek, Totaal Eiwit
|
|
Eiwitspectrum, serum
|
albumine
|
35-55 g/l
|
α1-globuline
|
2-4 g/l
|
α2-glubuline
|
6-10 g/l
|
β-globuline
|
8-13 g/l
|
γ-globuline
|
7-15 g/l
|
Eiwit, urine
|
|
< 150 mg/24 uur (vooral albumine)
|
Eosinofiele granulocyten
|
volwassenen
|
0,05-0,5 × 109/l
|
kinderen tot 1 jaar
|
0,05-0,70 × 109/l
|
kinderen 1-10 jaar
|
0,05-0,55 × 109/l
|
Epinefrine (vrij A)
|
urine
|
< 10 μmol/mol creatinine
|
Epinefrine, plasma
|
liggend
|
0,08–0,20 nmol/l
|
staand
|
0,07–0,27 nmol/l
|
Erytrocyten
|
mannen
|
4,3-6,0 × 1012/l
|
vrouwen
|
3,8-5,5 × 1012/l
|
pasgeborenen
|
4,0-6,0 × 1012/l
|
1-12 jaar
|
3,8-5,4 × 1012/l
|
Erytropoëtine
(EDTA plasma)
|
bij normale hematocriet
|
< 90 U/l
|
Ferritine
|
mannen
|
25-250 μg/l
|
vrouwen, premenopauzaal
|
20-150 μg/l
|
vrouwen, postmenopauzaal
|
20-250 μg/l
|
Fibrinedegradatieproducten (FDP)
|
methode-afhankelijk
|
raadpleeg eigen laboratorium
|
Fibrinogeen
|
volwassenen
|
2,0-4,0 g/l
|
neonaten
|
normaal tot licht verlaagd
|
Follikelstimulerend hormoon (FSH)
|
jongens, 0-6 mnd
|
< 3 U/l
|
jongens, 7 mnd - start puberteit
|
< 1,0 – 1.9 U/l
|
jongens, vroege - late puberteit
|
< 1,0 – 7,0 U/l
|
mannen, volwassen
|
2,0 – 7,0 U/l
|
meisjes, 0-6 mnd
|
< 1,0 – 24,0 U/l
|
meisjes, 7 mnd - start puberteit
|
3,0 – 10,0 U/l
|
meisjes, vroege - late puberteit
|
< 1,0 – 8,0 U/l
|
vrouwen, folliculair
|
1,0-8,0 U/l
|
vrouwen, midcyclisch
|
3,0-15,0 U/l
|
vrouwen, luteaal
|
1,0-8,0 U/l
|
vrouwen, postmenopauzaal
|
30,0-150,0 U/l
|
Foliumzuur
|
|
5-23 nmol/l
|
Fosfaat, serum
|
< 1 week
|
1,3-2,7 mmol/l
|
tot 17 jaar
|
1,1-1,8 mmol/l
|
≥ 17 jaar
|
0,9-1,5 mmol/l
|
Fosfaat, urine
|
alle leeftijden
|
10-40 mmol/24 uur
|
Fructose, serum
|
|
55-333 μmol/l
|
piek na 1 g fructose/kg
|
830-1390 μmol/l
|
Fructose, urine
|
|
< 333 μmol/l
|
piek na 1 g fructose/kg
|
1-2% van de dosis
|
Galactose, serum
|
|
< 0,3 mmol/l
|
neonaten
|
< 1,1 mmol/l
|
Galactose, urine
|
|
< 0,2 mmol/24 uur
|
neonaten
|
< 3,3 mmol/24 uur
|
γ-glutamyltransferase (γ-GT), serum
|
mannen, IFCC-methode
|
< 45 U/l
|
vrouwen, idem
|
< 35 U/l
|
Gastrine
|
nuchter
|
120 ng/l (Gastrine G-17)
|
pasgeborenen en kleuters
|
< 200 ng/l
|
Glucagon
|
nuchter
|
< 60 pmol/l
|
tijdens GTT
|
dalend tot ca. 30 pmol/l
|
Glucose
|
nuchter volbloed of capillair
|
3,5-5,6 mmol/l
|
nuchter veneus plasma
|
4,0-6,4 mmol/l
|
binnen 1 uur na 50 g lactose p.o.
|
stijging met 1,2-2,0 mol/l
|
zwangeren
|
zie tabel bij glucosetolerantietest in Klinische Diagnostiek
|
Glucose, liquor
|
ca. ⅔ van de bloedwaarde
|
|
Glucose-6-fosfaatdehydrogenase (G6PD)
|
tot 3 maanden
|
5,9-9,6 IU/g hemoglobine
|
vanaf 3 maanden
|
4,8-7,2 IU/g hemoglobine
|
Glutathionreductase (GSSG-red)
|
tot 3 maanden
|
3,3-6,0 IU/g hemoglobine
|
na 3 maanden
|
2,4-4,8 IU/g hemoglobine
|
GlycoHb (NGSP kalibratie)
|
niet-diabeten
|
4,0-6,0%
|
goede instelling
|
< 7%
|
redelijke instelling
|
7-8%
|
slechte instelling
|
> 8,0%
|
Groeihormoon
|
mannen, nuchter
|
< 10 mU/l (WHO IRP 80/505)
|
vrouwen, kinderen, nuchter
|
< 15 mU/l
|
na inspanning
|
> 18 mU/l
|
bij insulinetolerantietest
|
> 10 mU/l (veelal > 20)
|
bij argininetest
|
> 10 mU/l (veelal > 40)
|
bij L-DOPA-test
|
> 6 mU/l (veelal > 20)
|
1 uur na 75 g glucose oraal
|
< 4 mU/l
|
Haptoglobine
|
|
0,3-2,0 g/l
|
HDL-cholesterol
|
mannen
|
0,9-1,7 mmol/l
|
vrouwen
|
1,1-2,0 mmol/l
|
Hematocriet
|
mannen
|
0,41-0,51 l/l
|
vrouwen
|
0,36-0,47 l/l
|
zwangeren
|
> 0,32 l/l
|
neonaten (< 1 week)
|
0,41-0,65 l/l
|
Hemoglobine in bloed (Hb)
|
mannen
|
8,5-11,0 mmol/l
|
vrouwen
|
7,5-10 mmol/l
|
zwangeren
|
6,8-8,7 mmol/l
|
< 15 dagen
|
5,5 mmol/l
|
Hemoglobine in plasma
|
|
< 4 μmol/l
|
Hemoglobine, foetaal (HbF)
|
neonaten
|
60-90%, leeftijdsafhankelijk
|
> 1 jaar
|
< 1%
|
Hemoglobine A2 (HbA2)
|
volwassenen
|
1,5-3,2%
|
neonaten
|
< 0,5%
|
Hemoglobinen, instabiel
|
|
< 5% van totaal Hb
|
Hemoglobinevarianten
|
HbA0
|
95-98%
|
HbA1
|
5-8%
|
HbA2
|
2-3%
|
HbF
|
< 1%
|
Homocysteïne (Hartstichting)
|
nuchter, onbelast
|
< 15 μmol/l
|
belast, 6 uur na methionine
|
< 55 μmol/l (<30 μmol/l boven nuchter)
|
Homovanillylamandelzuur (HVA)
|
urine
|
1,1-5,5 mmol/mol creatinine
|
Humaan choriongonadotrofine (HCG)
|
|
< 5 IU/l, methode-afhankelijk
|
3-Hydroxyboterzuur
|
volbloed
|
0,06-0,20 mmol/l
|
3-Hydroxyboterzuur/Acetoacetaat-ratio
|
|
< 1,0
|
5-Hydroxy-3-indolazijnzuur (5HIAA)
|
urine
|
0,8-3,8 mmol/mol creatinine
|
17α-Hydroxyprogesteron
|
|
< 6,0 nmol/l
|
pasgeborenen
|
afhankelijk van zwangerschapsduur, geboortegewicht en leeftijd
|
IJzer
|
mannen
|
14-35 μmol/l
|
vrouwen
|
10-25 μmol/l
|
neonaten
|
17-40 μmol/l
|
IgM-ratio
|
|
0,24-0,43 × 10-3
|
IgM-index
|
|
0,048-0,077
|
Immunoglobuline A (IgA)
|
< 2 weken
|
< 0,15 g/l
|
2 weken - 2 jaar
|
0,05-1,1 g/l
|
2-3 jaar
|
0,1-2,3 g/l
|
3-9 jaar
|
0,5-2,5 g/l
|
9-15 jaar
|
0,6-3,5 g/l
|
16 jaar en ouder
|
0,7-4,0 g/l
|
Immunoglobuline A (IgA), speeksel
|
|
120-200 mg/l
|
Immunoglobuline D (IgD)
|
|
< 150 mg/l
|
Immunoglobuline E (IgE) (totaal)
|
< 4 maanden
|
< 2U/ml
|
4 maanden - 1 jaar
|
< 5 U/ml
|
1-4 jaar
|
< 10 U/ml
|
4-7 jaar
|
< 25 U/ml
|
7-10 jaar
|
< 50 U/ml
|
ouder dan 10 jaar
|
< 100 U/ml
|
Immunoglobuline E (IgE)
|
allergeenspecifiek
|
< 0,35 kU/l (CAP systeem)
|
Immunoglobuline G (IgG)
|
pasgeborenen
|
6,5-13,0 g/l (navelstreng)
|
1-6 maanden
|
2,2-11,3 g/l
|
6 maanden - 6 jaar
|
2,6-13,4 g/l
|
6-16 jaar
|
5,2-15,6 g/l
|
volwassenen
|
7,0-16,0 g/l
|
Immunoglobuline G-subklassen
|
|
zie tabel in testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
Immunoglobuline G-index
|
|
0,3-0,6
|
Immunoglobuline M, bloed
|
navelstreng
|
0,2 g/l
|
2 weken - 6 maanden
|
0,03-0,7 g/l
|
6 maanden - 3 jaar
|
0,1-1,0 g/l
|
3-15 jaar
|
0,3-2,0 g/l
|
16 jaar en ouder
|
0,4-2,3 g/l
|
Immunoglobuline M, liquor
|
|
0,35-0,65 mg/l
|
Immuuncomplex
|
|
niet aantoonbaar
|
Insuline
|
nuchter, normaal postuur
|
< 15 mU/l (< 110 pmol/l)
|
nuchter, obesen
|
< 25 mU/l (< 180 pmol/l)
|
Insuline antilichamen
|
|
negatief
|
Insuline-achtige groeifactor 1 (IGF-1)
|
sterk leeftijdsafhankelijk
|
methode-afhankelijk
|
Kalium, serum
|
volwassenen
|
3,5-5,0 mmol/l
|
neonaten
|
3,7-5,9 mmol/l
|
Kalium, urine
|
|
25-125 mmol/24 uur
|
Koolhydraatdeficiënt transferrine (CDT)
|
methode Axis
|
< 2,6%
|
Koolmonoxide (Carboxyhemoglobine)
|
niet-rokers
|
0,5-1,5% COHb
|
rokers
|
<5% COHb
|
zware rokers
|
< 10% COHb
|
Koper, serum
|
volwassenen
|
11-23 μmol/l
|
zwangerschap
|
2 à 3 maal verhoogd
|
bij orale anticonceptie
|
2 maal verhoogd
|
pasgeborenen
|
8-11 μmol/l
|
prematuren
|
3-8 μmol/l
|
Koper, urine
|
|
0,15-0,95 μmol/l
|
Lactaat
|
veneus/capillair volbloed
|
0,5-1,7 mmol/l
|
liquor
|
1,1-2,4 mmol/l
|
Lactaat:pyruvaat-ratio
|
volbloed
|
< 15
|
liquor
|
< 15
|
Lactaatdehydrogenase (LD)
|
volwassenen, IFCC-methode
|
135-225 U/l
|
zuigelingen, IFCC-methode
|
2 à 3 × zo hoog
|
LDL-cholesterol
|
aanbeveling volgens consensus, zie ook tekst in Klinische Diagnostiek
|
< 3 mmol/l
|
Leukocyten
|
totaal
|
4,0-10,0 × 109/l
|
staafkernige neutrofielen
|
0,1-2,0 × 109/l
|
segmentkernige neutrofielen
|
1,1-6,0 × 109/l
|
neutrofielen totaal
|
2,00-7,20 × 109/l
|
eosinofielen
|
0-0,5-0,50 × 109/l
|
basofielen
|
0-0,15 × 109/l
|
monocyten
|
0,15-0,90 × 109/l
|
lymfocyten
|
1,0-4,0 × 109/l
|
Lipase
|
turbidimetrische methode
|
30-140 U/l (25°C)
|
spectrofotometrische methode
|
20-180 U/l
|
Lipoproteïne-a (Lp(a))
|
afkapwaarde (zie test in Klinische Diagnostiek)
|
300 mg/l
|
Lithium
|
|
afwezig
|
therapeutisch venster; profylaxe
|
0,60-0,80 mmol/l
|
idem; acute manie
|
1,00-1,20 mmol/l
|
Lood, volbloed
|
volwassenen
|
<1,0 μmol/l (<200 μg/l)
|
kinderen
|
< 0,5 μmol/l (<100 μg/l)
|
Lood, 24-uurs urine
|
|
< 20 mg/l
|
Lupus anticoagulans (LAC)
|
stoltijdmetingen (APTT, PT)
|
niet verlengd
|
als anticardiolipine – ELISA
|
negatief
|
Luteïniserend hormoon (LH)
|
jongens, 0-6 maanden
|
< 1,0-2,6 U/l
|
jongens, 7 maanden - start puberteit
|
< 1,0-1,8 U/l
|
jongens, vroege - late puberteit
|
< 1,0-8,0 U/l
|
mannen, volwassen
|
1,5-8,0 U/l
|
meisjes, 0-6 maanden
|
< 1,0 U/l
|
meisjes, 7 maanden - start puberteit
|
< 1,0 U/l
|
meisjes, vroege - late puberteit
|
< 1,0-8,0 U/l
|
vrouwen, folliculair
|
1,5-8,0 U/l
|
vrouwen, midcyclisch
|
10-55 U/l
|
vrouwen, luteaal
|
1,5-8,0 U/l
|
vrouwen, postmenopauzaal
|
10-90 U/l
|
Lymfocytensubtypering
|
zie tabellen bij testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
|
Lysozym, plasma
|
|
4-15 mg/l
|
Lysozym, urine
|
|
0-3 mg/l
|
Magnesium, bloed
|
volwassenen
|
0,7-1,0 mmol/l
|
neonaten
|
0,5-1,2 mmol/l
|
oudere kinderen
|
0,6-1,0 mmol/l
|
Magnesium, urine
|
|
3,0-5,0 mg/24 uur
|
Mean corpuscular volume (MCV)
|
volwassenen
|
82-98 fl
|
pasgeborenen
|
95-120 fl
|
Mean corpuscular hemoglobin (MCH)
|
volwassenen
|
1,7-2,1 fmol
|
pasgeborenen
|
1,9-2,5 fmol
|
Mean corpuscular hemoglobin conc.
|
volwassenen
|
19,3-22,5 mmol/l
|
Metanefrine, plasma
|
vrij
|
< 0,29 nmol/l
|
totaal
|
1,25-6,40 nmol/l
|
Metanefrine (M)
|
urine
|
26-70 μmol/mol creatinine
|
3-Methoxy-4-hydroxyfenyleenglycol (MHPG)
|
|
0,4-1,5 mmol/mol creatinine
|
3-Methoxytyramine (3MT)
|
urine
|
37-170 μmol/mol creatinine
|
Methemalbumine
|
|
niet aanwezig
|
Methemoglobine (metHb of Hi)
|
|
1,0-1,5% van totaal Hb
|
Metopirontest
|
11-desoxycortisol
|
> 200 nmol/l
|
ACTH
|
> 90 ng/l
|
Myoglobine, serum, immunologisch
|
|
< 76 mg/l
|
Myoglobine, urine
|
|
< 6 μg/l, negatief
|
Natrium
|
serum
|
135-145 mmol/l
|
urine
|
130-200 mmol/24 uur
|
Neuronspecifiek enolase (NSE)
|
|
< 7,5-15 μg/l methode-afhankelijk
|
kinderen
|
< 30 μg/l
|
Norepinefrine (vrij NA)
|
urine
|
< 30 μmol/mol creatinine
|
Normetanefrine (NM)
|
urine
|
70-260 μmol/mol creatinine
|
Normetanefrine, plasma
|
vrij
|
< 0,58 nmol/l
|
totaal
|
3,0-25,0 nmol/l
|
Norepinefrine, plasma
|
liggend
|
0,94-2,14 nmol/l
|
staand
|
1,82-5,14 nmol/l
|
Estradiol
|
meisjes, 7 maanden - start puberteit
|
< 60 pmol/l
|
meisjes, vroege - late puberteit
|
< 60 - cyclische waarden
|
vrouwen, folliculair
|
80-900 pmol/l
|
vrouwen, midcyclus
|
400-1500 pmol/l
|
vrouwen, luteaal
|
150-900 pmol/l
|
vrouwen postmenopauzaal
|
< 10-60 pmol/l
|
jongens, 7 maanden - start puberteit
|
< 60 pmol/l
|
jongens, vroege - late puberteit
|
< 60-180 pmol/l
|
mannen
|
120-180 pmol/l
|
Estron
|
vrouwen
|
100-1000 pmol/l
|
mannen
|
100-200 pmol/l
|
Opiaten
|
zie testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
|
Organische zuren
|
zie testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
|
Osmolaliteit
|
serum
|
275-300 mOsm/kg
|
urine na 12 uur dorsten
|
800-900 mOsm/kg
|
zweet
|
< 170 mOsm/kg
|
Osmotische resistentie
|
bij 68-77 mmol NaCl
|
50%
|
na 24 uur 37° met 85-95 mmol NaCl
|
50%
|
AGLT test
|
> 1800 s
|
Oxalaat, urine
|
|
0,30-0,60 mmol/24 uur (95P: < 0,8)
|
Pancreas-elastase, in feces
|
|
> 200 μg/g feces
|
Parathyroïdhormoon (PTH)
|
bij normaal Ca2+
|
2-7 pmol/l
|
bij verhoogd Ca2+
|
< 4 pmol/l
|
Plasminogeen
|
t.o.v. normaal plasma
|
70-120%
|
Plasminogeenactivator-inhibitor (PAI)
|
methode- en tijdstip-afhankelijk
|
5-60 μg/l
|
Porfyrinen, feces, urine, bloed
|
zie tabel bij testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
|
Prealbumine
|
½-5 jaar
|
130-280 mg/l
|
> 5 jaar en volwassenen
|
200-400 mg/l
|
PAPP-A
|
zie tabel bij testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
|
Progesteron
|
meisjes, 7 maanden - start puberteit
|
< 1,0 nmol/l
|
meisjes, vroege - late puberteit
|
< 1,0 – cyclische waarden
|
vrouwen, folliculair
|
0,2-3,4 nmol/l
|
vrouwen, midcyclisch
|
0,7-8,0 nmol/l
|
vrouwen, luteaal
|
10-60 nmol/l
|
zwangeren, 1e trimester
|
50-200 nmol/l
|
zwangeren, 3e trimester
|
> 300 nmol/l
|
vrouwen, postmenopauzaal
|
< 0,5-2,0 nmol/l
|
jongens, 7 maanden - start puberteit
|
< 1,0 nmol/l
|
jongens, vroege - late puberteit
|
< 1,0-2,0 nmol/l
|
mannen
|
< 0,5-2,0 nmol/l
|
Prolactine
|
vrouwen
|
200-500 mU/l
|
mannen
|
100-300 mU/l
|
kinderen
|
100-200 mU/l
|
neonaten, tot 14 dagen
|
1000-2000 mU/l
|
Prostaatspecifiek antigeen (PSA)
|
tot 40 jaar
|
< 2,0 μg/l
|
40-50 jaar
|
< 2,5 μg/l
|
50-60 jaar
|
< 3,5 μg/l
|
60-70 jaar
|
< 4,5 μg/l
|
70-80 jaar
|
< 6,5 μg/l
|
Proteïne C
|
t.o.v. normaal plasma
|
75-125% of 0,75-1,25 U/ml
|
Proteïne S
|
t.o.v. normaal plasma
|
70-130% of 0,7-1,3 U/ml
|
Protrombinetijd (PTT)
|
|
11-14 s
|
INR (zie ook testbeschrijving in Klinische Diagnostiek)
|
0,9-1,1
|
Pyruvaat
|
volbloed
|
30-90 μmol/l
|
liquor
|
60-190 μmol/l
|
Pyruvaatkinase
in erytrocyten
|
kinderen tot 3 maanden
|
5,6-12,0 IU/g Hb
|
ouder dan 3 maanden
|
4,8-9,6 IU/g Hb
|
Red cell distribution width (RDW)
|
|
sterk methode-afhankelijk
|
Renine-activiteit, in rust, ‘s ochtends
|
zoutbeperkt (< 50 μmol/d; liggend)
|
> 11,0 nmol/l/uur
|
normaal zout (60-160 μmol/d)
|
0,9-2,7 nmol/l/uur
|
zoutrijk (> 200 μmol/d)
|
< 0,5 nmol/l/uur
|
Reticulocyten
|
microscopische telling
|
0-2%
|
geautomatiseerde telling
|
0,5-2,5%
|
Retinolbindend proteïne (RBP)
|
|
30-60 mg/l
|
S-100 eiwit, serum; 2,5-97,5 percentiel
|
mannen
|
0,01-0,12 μg/l
|
vrouwen
|
0,1-0,15 μg/l
|
SCC antigeen
|
vrouwen
|
< 1,9 μg/l
|
Serotonine, plaatjes
|
|
2,8-6,0 nmol/109 trombocyten
|
Sikkelceltest
|
|
negatief
|
Spoorelementen
|
|
zie tabel bij testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
Stercobilinogeen feces
|
|
100-700 μmol/24 uur
|
Stollingsfactor XII
|
activiteit
|
70-120% t.o.v. normaal plasma
|
concentratie
|
23-40 mg/l
|
Stollingsfactoren algemeen
|
activiteit
|
70-130% (of 0,7-0,13 IU/ml)
|
Sulfhemoglobine (sulfHb of sHb)
|
|
0%
|
Testosteron
|
jongens, 0-6 maanden
|
< 0,2-6,5 nmol/l
|
jongens, 7 maanden - start puberteit
|
< 0,2-0,6 nmol/l
|
jongens, vroege - late puberteit
|
0,6-35 nmol/l
|
mannen
|
12-35 nmol/l
|
meisjes, 0-6 maanden
|
< 0,2 nmol/l
|
meisjes, 7 maanden - start puberteit
|
< 0,5 nmol/l
|
meisjes, vroege - late puberteit
|
< 0,5-3,0 nmol/l
|
vrouwen
|
0,5-3,0 nmol/l
|
Thyroglobuline (Tg)
|
|
1-20 μg/l, methode-afhankelijk
|
Thyroïdstimulerend hormoon
|
|
0,5-3,9 mU/l
|
neonaten, tot dag 4
|
tot 39 mU/l
|
bij TRH test
|
stijging met 1,2-43 mU/l
|
bij TRH test, kinderen
|
stijging tot 3 × basaal
|
Thyroxine, totaal, TT4
|
volwassenen
|
64-154 nmol/l
|
pasgeborenen
|
127-282 nmol/l
|
Thyroxine, vrij
|
volwassenen
|
9-24 pmol/l
|
pasgeborenen
|
28-68 pmol/l (bij CHT hoger!)
|
Thyroxinebindend globuline (TBG)
|
volwassenen
|
250-560 nmol/l (13-35 mg/l)
|
zwangeren
|
> 600 nmol/l
|
TmP/GFR
|
bij GFR > 60 ml/min
|
0,80-1,35 mmol/l
|
kinderen
|
tot 25% hoger
|
Totaal eiwit, bloed
|
prematuur geborenen
|
35-60 g/l
|
à terme geborenen, tot 1 week
|
45-70 g/l
|
kinderen 1-12 maanden
|
50-75 g/l
|
1-2 jaar
|
55-75 g/l
|
> 3 jaar en volwassenen
|
60-80 g/l
|
Totale ijzerbindingscapaciteit (TIJBC)
|
volwassenen
|
27-54 μmol/l
|
Transferrine
|
volwassenen
|
2,0-4,1 g/l
|
neonaten
|
1,3-2,7 g/l
|
Tubulaire terugresorptie van fosfaat
|
(TRP)
|
85-95%
|
Triglyceriden
|
nuchter
|
0,6-2,2 mmol/l (richtlijn: < 2)
|
Trijoodthyronine (T3)
|
|
1,1-3,0 nmol/l
|
tot 2 weken
|
0,8-3,8 nmol/l
|
Trombinetijd
|
|
15-20 sec., test-afhankelijk
|
Trombocyten
|
|
150-400 × 109/l
|
Trombotest
|
|
zie tabel bij testbeschrijving in Klinische Diagnostiek
|
Troponine
|
raadpleeg eigen laboratorium
|
|
Uraat, urine
|
|
< 5 mmol/24 uur
|
Ureum, serum
|
kinderen
|
1,8-6,4 mmol/l
|
volwassenen
|
2,5-6,4 mmol/l
|
> 60 jaar
|
2,9-7,5 mmol/l
|
Ureum, urine
|
1e week
|
2,5-3,3 mmol/ 24 uur
|
1e maand
|
10-17 mmol/ 24 uur
|
6-12 maanden
|
33-67 mmol/ 24 uur
|
1-2 jaar
|
67-133 mmol/ 24 uur
|
4-8 jaar
|
133-200 mmol/ 24 uur
|
8-16 jaar
|
200-333 mmol/ 24 uur
|
volwassenen
|
333-583 mmol/ 24 uur
|
Urinesediment
|
erytrocyten
|
< 5/gezichtsveld (5-10/μl urine)
|
leukocyten
|
5-10/gv 400× (10-20/μl urine)
|
hyaliene cilinders
|
< 3/gv 400×
|
Urinezuur, serum
|
mannen
|
0,20-0,42 mmol/l
|
vrouwen
|
0,12-0,34 mmol/l
|
Urinezuur, urine
|
normaal dieet
|
1,2-4,0 mmol/24 uur
|
Urobilinogeen, urine
|
volwassenen, zuigelingen
|
1-7 μmol/24 uur
|
kleuters
|
7-13 μmol/24 uur
|
Vet, feces
|
screening
|
niet aantoonbaar
|
vetbalans
|
< 6 g/24 uur
|
vetresorptie
|
> 95%
|
Vanillylamandelzuur (VMA), urine
|
|
0,5-2,5 mmol/mol creatinine
|
Viscositeit
|
serum
|
1,4-1,8 mPa.s (25°C)
|
plasma
|
0,05-0,20 mPa.s lager
|
Vitamine A
|
all-trans retinol
|
1,2-2,7 μmol/l
|
Vitamine B1
|
heparinebloed
|
60-120 nmol/l
|
Vitamine B2
|
heparinebloed
|
200-375 nmol/l
|
Vitamine B3
|
heparinebloed
|
20-50 μmol/l
|
Vitamine B6
|
heparinebloed
|
35-110 nmol/l
|
Vitamine B12
|
|
130-700 pmol/l
|
Vitamine C
|
plasma
|
11-100 μmol/l
|
Vitaminen D
|
25(OH)D3
|
20-100 nmol/l
|
1α,25(OH)2D
|
40-140 pmol/l
|
Vitamine E
|
RRRα tocoferol
|
15-35 μmol/l
|
Vitamine K1
|
|
0,8-5,3 nmol/l
|
Von Willebrandfactor (VWF)
|
factor VIII
|
0,50-1,50 U/ml (of 50-150%)
|
Waterstof, in ademlucht
|
|
< 20 ppm (lactose, glucose)
|
met lactulosebelasting
|
piek na > 120 minuten
|
Xyloseresorptietest, belasting 25 g
|
urine
|
> 5 g/5 uur (33 mmol)
|
bloed
|
piek 0,3 g/l (2 mmol/l) na 2 uur
|
Xyloseresorptietest, belasting 5 g, urine
|
urine
|
> 1,2 g/5 uur (8 mmol)
|
bloed
|
> 0,23 g/l (1,5 mmol/l)
|
Zink
|
plasma
|
10-18 μmol/l
|
volbloed
|
70-130 μmol/l
|
Zweetproef
|
Cl–
|
< 50 mmol/l
|
Na+
|
< 50 mmol/l
|
geleidbaarheid
|
< 60 eq, mmol NaCl/l
|
Na+/Cl–ratio
|
< 1,0
|
Na+ + Cl–
|
< 130
|
CF-patiënten: Cl–
|
> 60 mmol/l
|
CF-patiënten: Na+
|
> 60 mmol/l
|
CF-patiënten: Na+ + Cl–
|
> 140 mmol/l
|
CF-patiënten: geleidbaarheid
|
> 80 eq, mmol NaCl/l
|
|
|
 |
|
 |